Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
312
ten. Is het daarente-
gen van buiten vaster
en wordt het binnen-
waarts steeds saprijker,
zelfs dikwerf ten laat-
ste brijig, dan heeten
zij 2) besvruchten.
Indien eindelijk alle la-
gen van het vYuchtbe-
kleedsel gelijkvormig
dun, droog , vliezig,
leer- of hoiUachtijr ont-
i33. 434.
Niet opeospringeDde vruchteD.
Avikkeld zijn, dan noemt men zulke vruchten 3) dopvrueli-
te n.
Bij B) de openspringende vruchten komen tweeder-
lei gevallen voor. AVanneer namelijk hier of daar eene ope-
ning in het vruchtbekleedsel is ontstaan, dan kan aan de
zaden daardoor de gelegenheid zijn gegeven, om dadelijk
433. Besvruchten van A. de wolfkers {Airopa Belladonna); B. Van de roode aalbes
{Ribes rübrum): C. Van de kruisbes {Ribes Grossuldria)^ dwars doorgesneden; D. Van
den wijnstok (druif) {VUis xtinifera), overlangs doorgestieden. — Meer in 't bijzonder
worden „bessen" genoemd veelhokkige, veelzadige, boven- of onderstaudige(*) bes-
vruchten; eene andere soort van „besvruchten" is de k om k o m m er-v r u c h t, zijnde
driehokkig, veelzadig en onderstandig (z. b. flg. 431 A), en eene derde soort de oranje-
vrucht (z. b. fig. 431 B), onderscheiden door de vroeger daarvan beschrevene eigen-
schappen. E. Onderste gedeelte van de dwars doorgesnedene vrucht van een mispel-
boom {Méspilus germdnica)-, het omhulsel, dat geheel het voorkomen van een vrucht-
bekleedsel bezit, is even als bij den appel, de peer (z. b. bl. 307), den meidoorn, de
lijsterbes, enz. de vruchtbodem; deze is hier inwendig brijig geworden en omvat
kleine steenvruchten; de mispel is dus (even als de vrucht van andere Pomaceën)
eene „onechte" of „schijnvrucht" (z. b. bl. 308). Van eene steenvrucht, in den
naauweren zin des woords, is bereids hierboven bl. 310 een voorbeeld opgegeven; met
de noot, eene benaming, alléén passend voor de vrucht van den okkernoot (z. b.
bl. 310), vcrmt zij de groep der „steenvruchten".
434. A. Eene graanvrucht, namelijk van de rogge {Secdie ceredle); B. dezelfde,
dwars doorgesneden. C. Eén der dopvruchtjes van den stekeligen ranonkel {Ra-
nÜHCulus mnricdlus); D. dezelfde, dwars doorgesneden. — De eerste vrucht-vorm is
aan alle grassen (Graminéen), dus ook aan alle „granen" (z. b. bl. 111) eigen; het is
eene éénhokkige, éénzadige, bovenstandige vrucht, waarbij het vruchtbekleedsel vast
zanienhangt met het zaad. Een dopvrucht is eénhokkig, éénzadig, boven- of onder-
standig, waarby echter het vruchtbekleedsel minder of in 't geheel niet met het zaad
vereenigd is; met de eikelvrucht, aan alle zoogenaamde naijjesdragenden ofcupu-
liféren eigen (waarvan een voorbeeld in fig. 420, 42'2 en 423), en de v Ie u ge 1 v vu c ht
(zoo als de in fig. 421 A en B voorgestelde) vormen zij de groep der „dopvruchten".
(•) In het boven- of onderstandige der vruchtbeginsels (z. b. bl. 285) komt by
verderen groei daarvan tot vruchtbekleedsels geene verandering.