Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
310
431. Vleezige vrucbtea.
loö. Drooge vruclit
432 SteeDvracMeQ.
4-30. Openge«p]etene vrucht van de erwteplant {Pisum sativum) ; van onderen ziet
men nog den verdroogden kelk en van boven een gedeelte der verflenste stijl daaraan
bevestigd. Slechts bij ééne enkele verscheidenheid van dit gewas, de bij ons meer bijzonder
zoogenaamde „peulen", is het vruchtbekleedsel aanvankelijk zacht en daardoor eetbaar;
bij alle andere peulvruchten is dit bekleedsel terstond droog, vliezig, lederachtig, enz.
431. A. Dwars doorgesnedene vrucht van de watermeloen {Cücumis Citrûllus). Alle
komkommerYruchten, waartoe ook deze behoort, zijn eigenlijk 3-hokkig, doch
schijnen door eene eigenaardige ombuiging van den zaaddrager 6-hokkig te zijn ; de
hokken zijn met een saprij'c celweefsel gevuld. B. Dwars doorgesnedene vrucht van
den citroenboom {CUrus médica). Deze en andere zoogenaamde or an je-v r u ch t en
(b. v. oranje-, china's-, bergamot-appel, enz,) bezitten eene lederachtige buitenlaag,
waarin zich talrijke, vlugtige olie bevattende celletjes bevinden, en zijn veelhokkig;
in ieder der hokken zijn spilvormige saprijke cellen gevormd, waartusschen de zaden
gelegen zijn.
43'2. A. Overlangs doorgesnedene vrucht van den abrikoos (Prönu.* .<4rrne«faca). waarin
de zoogenaamde „kern" zich nog in haar geheel bevindt. Deze kern bevat de pit of
het zaad; haar harde wand, steen genaamd, is de binnenste laag van het vrucht-
bekleedsel, vereenigd met een verhard deel van de daaraan grenzende middelste laag;
het daaromheen gelegene vleezige (eetbare) is een deel van de middelste laag en
het buitenste schilletje is de opperhuid. — Dergelijke vruchten, steenvruchten
geheeten, komen voornamelijk bij de Amygdaléën voor (dus o. a. ook b^ de perzik,
de kers, de pruim, de amandel, enz.) en bij vele palmen. Oorspronkelijk bevatten zij
soms '2 zaadknoppen, waarvan gewoonlijk één weder verdwynt; ontwikkelden echter
deze beiden, gelijk enkele malen het geval is, dan zult gij ze wel als zoogenaamde
„philippines" begroet hebben, — B. Gedeeltelijk dwars en gedeeltelijk overlangs door-
gesneden vruchtbekleed"^el en zaad (vrucht) van de sleepruini {Prunus spinósa)', de
botiw dier vrucht is dezelfde als van den abrikoos; in haar is echter nog duidelijker
dan in den laatsten de oorsprong van den steen uit de binnenste laag van het vrucht-
bekleedsel en het daaraan grenzende gedeelte van de middelste laag zigtbanr. In
onrijpen toe^ta^d der steenvruchten is de zamenhang van de onderscheidene lagen
der vruchtbekleedsels nog veel beter waarneembaar. — De steen van de vrucht der
okkernoot {Jvglann régia) bestaat uit twee ligt van elkander te scheiden klepvormige
helften. — Vele steenvruchten vertoonen uitwendig eene sleuf aan de voor- en soms
ook aan de achterzijde, welke van de wijze van ontstaan der vruchtbeginsels afhangt
(z. b. bl. 287); ook is de steen zelf vaak van zoodanige sleuf voorzien.