Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
303
niet, zoo als vaak in 't gewone leven, aan het woord »vruch-
ten" het begrip van iets eetbaars verbinden. Alle zóó uitge-
groeide vruchtbeginsels met daarin bevatte zaadknop-
pen, dat de eersten, na in den regel veranderingen te hebben
ondergaan, tot bekleedsels of omhulsels strekken voor
de laatsten, die, na verschillende wijzigingen, in zaden zijn
veranderd, verdienen vruchten genoemd te worden. Hier-
uit volgt dus O. a. dat de naaktzadigen geene volkomene
vruchten bezitten. Immers men moge de deelen, waarop in
deze groep de zaadknoppen en later de zaden bevestigd zijn,
volgens sommigen, met opene vruchtbeginsels of -bekleedsels
vergelijken willen, of volgens anderen, als uitgebreide zaad-
dragers of ook wel als schutbladen beschouwen, — men vindt
de zaden zelve door geen vruchtbekleedsel omsloten, en daarom
blijft de benaming van »naaktzadigen" voor deze gewassen
zeer gepast. Bij de beschouwing dier naakte zaden, van ver-
verschillende planten afkomstig, kan het u niet ontgaan, dat
nu eens een enkel zaad op zich zelf, dan weder meerdere,
op dezelfde as bijeengeplaatst, voorkomen.
Dit laatste verdient vooral bij het onderzoek van de vruch-
ten der bedektzadigen in het oog gehouden te worden. Want
hetzelfde, wat ik u vroeger (bl. 245) van de bloemen zeide,
415. A. Een takje van den jeneverstruik {Juniperus commünis) met daarop drie bij
drie bevestigde zaden. B. Dwarse doorsnede van drie zulke zaden (zijnde een zooge-
naamde jeneverbes), die bijeen blijven, doordien de schubben, waarop de naakte zaden
bevestigd zijn, vleezig geworden zijn en naauw aaneensluiten.
416. A. Een rijp geworden en bereids opengebersten pijnappel of pijnboomkegel,
zijnde eene op dezelfde as bevestigde vereeniging van houtig gewordene schubben
van de den {Pinus sylvéstris), op ieder waarvan — B — zich hier 2 naakte zaden
bevinden. C. Één dier zaden, met een vleugelvormig aanhangsel. — Elke zaaddra-
gende schub bezit hier aan zijnen top een ruitvormig plaatje.