Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
300
Voortplaotings-deelen van naaktgadigen.
kiemzak in den
zaadknop met
cellen (kiem-
wit). Eenige
dier cellen
worden groo-
ter dan de an-
dere en zijn bij
de onderschei-
dene naaktza-
digen, ten ge-
tale van 1 tot
10 of meer, al
of niet in el-
kanders nabij-
heid gelegen.
In den top de-
zer grooter ge-
wordene cellen
vormen zich 4
kleinere doch-
tercelletjes; la-
ter bevindt
zich daar ter
plaatse, mis-
schien als o-
409. Kiem-vorming bi) Pinus Siróbus. A. Door het poortje — p — van den zaad-
knop — zk — geraakt onmiddellijk een stuifmeelkorrel op den top van de kern
des zaadknops en groeit aldaar tot eene stuifmeelbuis — ah — uit. Later komt
deze in aanraking met den inhoud der spilvormige vergroote cellen — c —, in
den kiemzak ^— kz— gelegen; men stelle zich overigen? dien kiemzak als met
kleinere celletjes gevuld voor. B. Eén dier grootere cellen bevat o. a. van onderen
ééne cel, die men kiemblaasje — — kan noemen, omdat dit de jongste toe-
stand der kiem i«. C. Die cel verdeelt zich namelijk in 4 andere jongere. D. Ieder
dier jongere wordt weder een bijzonder laagje; één dier laagjes groeit buisvormig
uit — c — en wordt zoo de drager van den daaronder gelegenen kiem-aanleg.
E. Een der 4 dragers — c — van de kiem — k —; de 8 andere zijn afgesneden.
410. Eenige bijzonderheden uit de vorige figuren, iets meer vergroot voorgesteld;
A. De verdeeMng van het kiemblaasje in meerdere cellagen. B. Een latere toestand.
C. Uitgroeijing van een der lagen tot buisvormige verlengsels. D. Van boven ver-
eenigd geblevene cellen (2de laag); hieraan bevestigde buisvormige cellen (3de laag),
waarvan drie zijn afgesneden en 1 tot drager van de jonge kiem (4de laag) strekt;
de 1ste laag is spoedig verdwenen.
411. Eene pas bevruchte groote cel — c — van de den (Pinus sylvestris), overlangs