Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
289
A.
]. Plaatsing der
1. 2.
B.
zaadknoppen in de vruchtbeginsels.
3.
den binnenwand van het vruchtbeginsel aantreft, of wel op
meerderen afstand daarvan en alsdan digt bij of juist in 't
midden van de holte des vruchtbeginsels en in het laatste
geval soms geheel buiten verband met den binnenwand, op
een zich vrij verheffend deel, hetwelk men als eene regt-
streeksche voortzetting van de as der bloem in het vruchtbe-
ginsel beschouwt.
Op de plaatsen, waar de zaadknoppen bevestigd zijn, vindt
men meestal tusschen los parenchym eenen vaatbundel-streng,
waarvan gewoonlijk eene kleine vertakking met eiken zaad
knop verbonden is. Er zijn er, die zoodanige plaats,
zich soms als eene min of meer binnenwaarts uit-
springende lijst kenmerkende, in het vruchtbe^nsel
voor eene bijzondere vorming houden, die, wanneer
zij geheel zelfstandig optreedt (fig. 389 c.), door na-
genoeg alle plantkundigen als eene asvorming be-
schouwd wordt. Wanneer zij echter in regtstreeksch
of middellijk verband met den wand van het vrucht-
beginsel staat (fig. 389 a en ö), zijn er enkelen, die j^Qop^aggj.
haar ook voor eene as-vorming, anderen die liaar meestal
by Papaver). Voor al deze verscheidenheden, die bij bepaalde planten en plantengroe-
pen zeer bestendig voorkomen, zijn bepaalde woorden in gebruik, wier opsomming
echter, met het oog op het doel van dit werkje, kan achterwege blijven.
890. A. In de vorige doorsneden vond men meer zaadknoppen in elk vruchtbegin-
sel; hier (in overlangsche doorsneden van vruchtbeginsels) slechts één en wel aan
den voet, den top of den wand hiervan bevestigd of van een in 't midden oprijzend
zuiltje vrij afhangend. B. 1—3. Door deze overlangsche doorsneden blijkt het, dat, waar
meer zaadknoppen in éen vruchtbeginsel voorkomen, hunne onderlinge betrekkelijke
plaatsing verschillen kan.
801, De aanhechtingsplaats der zaadknoppen — hier b. v. bij de erwt {Ptsum) als
eene bijzondere lyst voorgesteld, die, waar zij niet als een zelfstandig zuiltje in 't
midden optreedt, meestal naauw vereenigd is met den binnenwand van het vrucht-
beginsel, — heet zaaddrager (vroeger ook wel zaad-, vrucht- ofeijerkoek);
het kleine da rvan als een steeltje afkomstige takje knopdrager (vroeger navel-
streng).
19