Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
288
de randen of aanrakings-plaatsen der vereenigde deelen), of
■wel de van het midden daarvan afkomstige uitspringende
lijnen, het getal der soms onvereenigd geblevene stijlen of
stempels, het getal der (bij dwarse doorsnijding zigtbaar wor-
dende) hokken, dat van de rijen der zaadknoppen, enz.
Evenmin als het niet voorhanden zijn van hokken in een
vruchtbeginsel tot bewijs van zijnen eenvoudigen oorsprong
strekken kan, evenmin mag de aanwezigheid van hokken al-
tijd tot eenen meervoudigen oorsprong doen besluiten. Het
bestaan van hokken immers is een gevolg van de aanwe-
zigheid van tusschenschotten. Zulk een tusschenschot
kan b. v. ontstaan door eene zeer diepe binnenwaartsche
buiging van de elkander ontmoetende randen van één enkel
deel, hetwelk tot grondslag ligt aan de vorming van éénen
stamper. "Wijders kunnen ook tusschenschotten door dergelijke
inbuigingen van onderling vereenigde randen van zulke ver-
schillende nevens elkander staande deelen ontstaan; voorts
doordien zich van uit den binnenwand der vruchtbeginsels
plaatvormige voortzetsels vormen, of eindelijk doordien de as
der bloem tot in de holte van het vruchtbeginsel, al- of niet
vertakt, doorgroeit en dit op die wijze in meerdere hokken
verdeelt.
De zaadknoppen
zijn nu dikwijls te
dier plaatse vastge-
hecht, waar men zich
de geschetste rand-
vereeniging voor-
stelt , en van daar,
dat men ze dus juist
langs of zeer nabij
a. h. c. d.
389. Plaatsing der zaadknoppen in de vrnclilbeginsels.
hunnen voet zamenhangende. B. Vijf stampers uit ééne bloem van de akelei (Aqui-
légia), bijna tot aan den top te zamen vereenigd.
389. a. Dwarse doorsnede van een vruchtbeginsel; hierin liggen de zaadknoppen
digt bij den binnenwand (b. v. bij Orchidéën); b. hier bijna geheel in 't midden, aan
het uiteinde van tusschenschotten, die van den binnenwand uitgaan (b. v. bij Iri-
déën); c. overlangsche doorsnede van eenen stamper; hier vindt men de zaadknoppen
op een met den binnenwand niet verbonden deel, hetwelk eene regtstreeksche uit-
groeijing van de as der bloem in de holte van het vruchtbeginsel is (b. v. bij Primu-
lacéën). d. Dwarse doorsnede van een vruchtbeginsel, met het meer zeldzame geval»
dat de zaadknoppen ook langs de zywanden der tusschenschotten bevestigd zyn (b.v.