Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•280
telijken zamenhang met
bloemdek, bloemkroon,
bloemkelk of met den
stamper.
De meeldraden kun-
nen ook in onderlingen
zamenhang optreden, d.
i. met te zamen ver-
eenigde helmdraden, zoodat zij dan in één of meer
bundels den stamper of de stampers omringen, of
wel met aaneenklevende helmknoppen.
316. ZamenliaDg van meeldraden en
bloemkroon.
SUZamenhang
m ffleeMraiien
en stamper.
318. Onderling
Eenigen tijd
na het uittre-
den van het
stuifmeel ple-
gen de meel-
draden te ver-
welken. Ge-
woonlijk heeft
die uittreding
S76. A. Bloem van het bilzenkruid (Hyoscyamus niger), zijdelings gezien: B. open-
gespreide en kunstmatig vanéén gescheidene bloemkroon, welke als één ongeschei-
den geheel in gedeeltelijke vereeniging met den meeldraadkrans (z. b. bl. 263) ge-
groeid is. Dit is bij de meeste kroonbloemigen (waartoe ook deze plant behoort,)
bet geval, waarbij men ook gewoonlijk eenen, althans in zijnen voet, ongescheiden
kelk aantreft. Waarom wy voor zoodanige kelken en bloemkroonen de benaming
„vergroeidbladig" minder gepast achten, is reeds vroeger (noot 351) gezegd.
377, Yoort plan tings deelen van de gemeene pypbloem (AristolÓchia ClematUis), (z. b.
flg. 343,) bestaande uit eénen stamper met 6 op den top hiervan bevestigde (d. 1. te
zamen hiermede gegroeide) meeldraden, waarvan de helmknoppen door de 6 lobben
van den stempel (z. bl. 285) overdekt worden. — Soortgelijke zamenhang van meel-
draden en stamper komt ook, behalve in de groep der Aristolochiéën, by vele Or-
chidéën (flg. 379) voor; ook by Asclepiadéën en Apocynéën. — £r zijn er, die
alleen in dit geval van „bovenstandige" meeldraden spreken, terwijl zij dan de door
ons onder dien naam beschrevene (z. b. noot 375, C.) nog „rondomstandig" blijven
noemen.
378. A. 8 meeldraden uit ééne Polygala-bloem, door zamenhang der belmdraden
tot 2 bundels vereenigd. B. 10 meeldraden, zoo als zy in elke bloem van vele tot de
groep der vlinderbloemigen (Papilionacéën) behoorende planten voorkomen, waarvan
namelijk 9 éénen bundel vormen, en de 10de vry staat; onder deze groep komen ook
planten voor, in wier bloemen al de helmdraden te zamen éénen bundel vormen, zon-
der dat er een vry blyft. C. Een meeldraad-bundel, gevormd door vereeniging der
helmdraden, uit de bloem van de groote malve (Malta sylvéstris) \ behalve bij de
Malvacéën, vindt men ook by eenige Amaranthacéën, Rttscus, klaverzuring (Oxalis)
Geranium, Asclépias, enz. de helmdraden tot één geheel met elkander vereenigd.
D. Tot 3 bundels vereenigde meeldraden van moeras-hertshooi (Hypericum Eiódes);