Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•279
meer dan 100 bedragen en is in de verschillende bloemen
niet zelden gelijk aan of een veelvoud van dat der leden
der omhullende bladkransen (z. b. bl. 261). Bij sommige
planten is dit getal geringer. — De lengte der tot denzelfden
krans behoorende meeldraden is niet altijd gelijk. Intusschen
heerscht zoowel in het getal als in de betrekkelijke lengte
der meeldraden over 't algemeen, behoudens sommige uit-
zonderingen (*), zeer veel bestendigheid in de op bepaalde
planten voorkomende bloemen.
In verband met het boven bl. 263 opgeteekende omtrent
de betrekkelijke plaatsing der onderscheidene kransen, ver-
dient hier nog in 't bijzonder vermelding, dat de meeldraden
onder den voet van den stamper of van de stampers (z.
bl. 285) staan, óf hieromheen, óf
daarboven ontspringen of eigenlijk
meerendeels schijnen te ontspringen.
Aan deze toestanden van waren of schijnbaren oorsprong der
meeldraden hechten zich de mogelijke gevallen, dat men de
meeldraden geheel vrij, d. i. zelfstandig aantreft, ófingedeel-
(*) Vergel. bl. 271 en noot 345 op bl. 201. — Zoo komen o. a. bij de meeste lip-
bloemigen (Labiaten) in den regel 4 meeldraden in elke bloem voor, waarvan 2 lan-
ger zyn dan de 2 andere; bij de kruisdragenden (cruciféren) 6, waarvan 4 korter
dan de beide overige, enz.
375. A. Bloem van de stinkende gouwe {Chelidónium majus)\ met meeldraden, vrij
onder den stamper ontspringende; men noemt ze dan onderstand!g. B. Over-
langs doorgesnedene bloem van den abrikoos {Prunus Armeniaca); met meeldraden,
waarvan het vrye gedeelte hooger dan de voet van den vrystaanden stamper ont-
springt; zij worden alsdan rondomstandig genoemd. C. Bloem van den rooden
kornoelje {Cómus ianguinea)-, het vrije gedeelte der meeldraden ontspringt hier
hooger dan het onderste gedeelte van den met den voet des kelks zamenhangenden
stamper; zy heeten dan bovenstandig. — Ook op het bloemdek, den kelk en de
bloemkroon worden, naar gelang van hunnen betrekkelijken waren of schijnbaren
oorsprong onder, rondom of boven den stamper, deze benamingen toegepast, en
spreekt men dan zelfs wel in 't algemeen van eene onder-, rondom- ofboven-
ßtandige bloem.