Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
XIV.
VAN WELKE DEELEN DER BLOEM DE VERMEER-
DERING DER ZAADPLANTEN AFHANGT.
Een niet altijd gewettigd gebruik van het woord »ver-
groeid" leidde vaak tot onjuiste voorstellingen. Men moest toch
daaronder verstaan, dat plantendeelen, die afzonderlijk waren
ontstaan, later met elkander vereenigd waren geraakt; —
een inderdaad slechts zelden voorkomend geval. Wat men in
dien zin voor vergroeid hield, bleek, toen men de wijze van
ontwikkeling naauwkeuriger gadesloeg, van den eersten aan-
leg gelijktijdig in ouderlingen zamenhang te zijn gevormd.—
Zoo heeft ook het woord »vervormd", hetgeen men niet zel-
den door plantkundigen hoort bezigen, dikwerf er toe bijge-
dragen, den waren toestand voorbij te zien. Men moest zich na-
melijk toch daarmede voorstellen, dat een bepaald plantendeel,
onder zekere omstandigheden, eene andere gedaante kan aanne-
men. Een voorbeeld zal dit ophelderen: Tusschen gewone loof-
bladen en vele der tot de bloem behoorende deelen kan men zeer
dikwijls eenen langzamen overgang in uitwendige gedaante,
enz. langs den stengel eener plant waarnemen (men denke
b. V. aan de schutbladen, enz. z. b. bl. 244); zelfs blijkt de
ontleedkundige bouw van al deze deelen in de hoofdzaak
weinig te verschillen. Wat lag meer voor de hand, dan de
bloemomhulsels en andere deelen der bloem als »vervormde"
loofbladen te beschouwen? Men vond in die veronderstelling