Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
265
toestand kunnen aantrefFen en u verbeelden, omdat gij het
bloemomhulsel slechts uit gelijkvormige seharlakenroode bla-
deren vindt zamengesteld, dat gij hier met een bloemdek te
doen hebt. Vóór de ontluiking omsloten hier echter, zoo als
bij de meeste nog ongeopende bloemknoppen, de kelkbladen
de bloemkroon, (d. i. dat, wat gij voor een bloemdek hieldt,)
doch zij vielen bij het openen veel vroeger af, dan dit ge-
woonlijk met de kelken van andere gewassen het geval is.
Omgekeerd kan de duur van den kelk bij zeer vele planten
veel langer zijn dan die der overige tot de bloem behoorende
deelen, en groeit hij dan soms nog tot een bijkomend omhul-
sel der uit zulk eene bloem ontstane vrucht voort.
Van alle bloemdeelen hebben nog in uitwendig aanzien
de kelkbladen de meeste overeenkomst met gewone loofbla-
den, hoewel zij in den regel kleiner zijn. Hun ontleedkundig
maaksel is dan ook gelijk aan dat der laatsten, zoodat men
O. a. vooral op de buitenvlakte der kelkbladen, die aan de
ondervlakte der loofbladen beantwoordt, spleetopeningen (z. b.
bl. 172) aantreft. Somtijds echter zult gij b. v. bij de aard-
bezie onder, d. i. aan de bui-
tenzijde van dat deel van het
bloemomhulsel, hetwelk gij da-
delijk als eenen kelk herkent,
nog eenen tweeden groenen
bladkrans aantreffen, van welks
bestaan gij u geen rekenschap
zoudt kunnen geven, zoo gij
niet wist, dat gij hier met eene
steunblad-vorming (z. b. .bl. 183) aan den voet des kelks te
doen hadt. In andere gevallen zijn het schutbladen (z. b.
bl. 244), welke zulk eenen bij kelk — gelijk men zoodani-
nigen bijkomenden krans noemt, — vormen.
De bloempjes, met wier ontluiking zich o. a. ten onzent
de naderende lente aankondigt, namelijk die der zoo gezochte
355. A. Van eene malve (Mdlra)-, B. van de aardbeiie (Fragdria teica). De groe-
pen der Malvacéën en Rosacéën, waartoe respectievelijk deze planten behooren, leve-
ren meer dergelijke voorbeelden op; in de groep der Dipsacéën bezit de bijkelk eene
geheel eigenaardige gedaante. Ook bij de passie- of lijdensbloem (Passiflóra) komt
een bijkelk voor, enz. Somtijds bestaat de bijkelk zelfs uit twee kransen.