Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
wmm
260
woonlijk uït onontwikkelde tussehenknoopen bestaande as der
bloem bevestigd zijn.
Zoo lang het nog in knop-toestand verkeert, bezit elk
omhulsel zijne eigene plooijing of ligging (z. b. bl. 194 en
195), welke, zoo het omhulsel uit meer dan één krans bestaat,
soms bij den buitensten (d. i. den ondersten) krans anders is
dan bij de binnenste (of hoogere). Na de ontplooijing vindt
men den stand der ontlokene omhulsels dan ook in overeen-
stemming met die vroegere ligging; en terwijl de plaatsing
op de as niet zelden overeenkomt met hetgeen wij vroeger
als kransvormigen bladstand (z. b.
bl. 176) hebben leeren kennen,
zoo zult gij toch ook dikwijls, in-
dien ge u slechts de moeite geeft,
naauwkeurig de inhechtingspunten
op de as der bloem na te gaan,
hierin de opvolging in de rigting
van eenen spiraal kunnen opmer-
311 Gras-Woem- spiraal is echter in den
regel zóó ineengedrongen, dat ze
weinig van een gesloten ring verschilt. Zijn er meerdere
om elkander staande kransen, dan komt het getal der deelen
of leden (z. b. bl. 177), waaruitzij bestaan, dikwerf overeen en
bevindt zich elk bijzonder deel van den eenen krans tusschen
twee deelen van den daaromheen liggenden of opvolgenden
krans, — natuurlijk meer binnen- of buitenwaarts. Somtijds
komt eene afwijking van dien afwisselenden stand voor en
liggen de bijzondere deelen van de onderscheidene elkander
omringende bladkransen der omhulsels juist voor of achter
344. Bij de grassen vindt men gewoonlijk als bloeiwijze eene zamengestelde aar
(z. b. bl. 825), uit een aantal aartjes gevormd; elk dezer laatsten bestaat weder
meerendeels uit meerdere bloemen, allen te zamen omringd door 2 schutbladen (of
kafjes — A-); elke bloem bezit een 3.bladig bloemdek, waarvan 1 buitenst en lager
staand blad — a — vrij en meestal met eene naaldvormige verlenging van den mid-
delnerf — n — voorzien is (die somwijlen ook aan de schutbladen voorkomt,) en de
2 andere bladen tot één geheel — c — vereenigd zijn, hetwelk meer naar binnen en
hooger staat dan het eerste. — (6 stelt een onontwikkeld bloempje van het hier ge-
teekende aartje voor.) Geheel van binnen liggen de voortplantings-deelen, die van
onderen nog door 2 kleine schubvormige blaadjes omringd zijn, welker door sommi-
gen voor eene bykroon gehouden, door anderen echter als het eigenlijke bloemdek
beschouwd worden, in welk geval de door ons als bloemdek beschrevene deelen als
schutblaadjes worden voorgesteld.