Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
258
zwart meestal niets meer dan een diep donkerblaauw. —
"Worden de lichtstralen door eigenaardige tepelvormige op-
perhuidscellen gebroken, dan verkrijgen de daarmede voor-
ziene bloemomhulsels eenen fluweelglans (z. b. bl. 90). Einde-
lijk vindt men soms bij dezelfde plant de kleuren verschillend
in de onderscheidene tijdperken van het bestaan der bloemen,
ja zelfs soms des ochtends en in de schaduw anders dan in
fel zonlicht, enz.
De geuren ontstaan door de uitwaseming van aetherische
oliën en andere vlugtige stoffen, welke meestal terstond na
hare vorming in de cellen verdampen; waar dit het geval
is, wordt de reuk ook sterker na zonsondergang; sommige
bloemen verspreiden zelfs alléén des nachts haren reuk.
Waar echter de riekende stoffen, na hare vorming, meer be-
sloten blijven in de cellen, ontwikkelt zich hare geur voor-
namelijk in de zonnehitte. Regen en andere van bijzondere
dampkrings-toestanden afhankelijke invloeden wijzigen niet
zelden de ontwikkeling der geuren. Sommige bloemen onder-
scheiden zich ook door haren onaangenamen reuk, welke —
zoo men die in verband met de kleuren onderzoekt, — meer
bij oranje- en bruingekleurde bloemen wordt waargenomen
dan bij witte, die in den regel nog het geurigst zijn.

vao „01
De in onze luchtstreken in 't wild groeijende gewassen
342. Doordien by de orchidéen of standelkruiden het bloemdek gewoonlijk uit
twee 3-ledlge kransen bestaat, en de 3 buitenste leden (bladen) min of meer op 2
van den binnensten krans gelijken, doch het derde blad van den laatsten allerlei en
daaronder de meest vreemde vormen bezit, verkrygt het geheel zulk een zonderling
voorkomen. — A. Bloemdek van de bruinroode orchis {Orchis füsca)', B. van de
krijgshaftige orchis (O. militdris)-, C. van de breedbladige o. (O. laiifêlia)', D. van de
harlekijns o. (O. Mório)\ E. van de gevlekte o. (O. maculdta).