Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
XIII.
HOE DE BLOEMEN OMHULD ZIJN.
Het bouwplan van alle bloemen is, zoo als reeds (bl. 241)
gezegd is, tot 2 daartoe bijdragende elementen te herleiden:
a. een as-gedeelte en h. de hierop bevestigde deelen. Van
het eerste was bereids in het vorige hoofdstuk sprake. Van
de andoren zullen wij het eerst die deelen behandelen, welke
de voortplantingsdeelen (z. b. bl. 238), d. i. de »bloem" in
den strengen zin des woords, omringen; derhalve die deelen,
welke zoo vaak door in 't oog loopende kleuren of bijzondere
geuren uwe aandacht hebben getrokken en door u »bloemen"
werden genoemd, toen ge nog niet wist, dat zij slechts de
omhulsels hiervan zijn. De eigenlijke plantkundigen stellen,
als zoodanig, niet zoo veel belang in die afwisseling van
kleuren en geuren, als de leek; en wel daarom niet, omdat
zij er slechts eene bijzaak in zien, die voor den bouw en
het bestaan der planten niet dät gewigt bezit, hetwelk een
oningewijde daaraan pleegt toe te kennen. Geloof intusschen
niet, dat het schoonheidsgevoel van den plantkundige afge-
stompt is, indien hij zich soms voor uwe hooge ingenomen-
heid met deze of gene schakering van bloemkleursels wat te
onverschillig mögt betoonen; hij misgunt noch u uwe bezit-
ting, noch der tuinbouw eene zegepraal op het gebied der
kweekkunst. Wat meer is, ook zijn blik vindt behagen in
den bonten en veelkleurigen tooi van velden cn weiden, en
ook hij zal welligt, bij zijne omdolingen in de vrije natuur,