Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•245
308. Omwindsel.
der bloemstelen of door eene andere oorzaak zeer digt bijeenstaan,
vormen ook de schutbladen te zamen eene soort van krans on-
der zulke bloemverzamelingen, "welke, als één geheel beschouwd,
onder allerlei vormen kan optreden en niet zelden het fraaije of
althans in 't oog loopende voorkomen dier bloemen veroorzaakt.
Door nog niet genoeg geoefenden wordt dikwerf de ver-
gissing begaan, dat zij meenen ëëne enkele bloem te zien
daar, waar inderdaad eene verzameling van vele bloemen
aanwezig is. En zoo zal het ook u welligt zijn gegaan, toen
gij, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, eene paarde-
bloem of eene dahlia ter hand naamt; hoe vreemd het u
ook klinken moge, toch hadt gij, op dien enkelen steel, eene
geheele groep van bloemen voor oogen. — Slechts betrekkelijk
zelden vindt men slechts ëéne alleen- of op zich zelf staande
bloem aan den top van de hoofd-as eener plant. Veelvuldi-
ger dan uit eindknoppen komen zulke alleenstaande bloemen
uit okselknoppen (z. b. bl. 190) te voorschijn. He meest
echter zijn een aantal bloemen, groepsgewijs vereenigd, op
eenen enkelen tak, als den algemeenen steel bevestigd. Zoo
308. Omwindsel der digt bijeenstaande bloemen van de groote Astrantia (il-
sirdntia major). Ook bij de schermdragenden (waartoe o. a. deze plant behoort,)
draagt de som der schutbladen, waar zij voorkomen, denzelfden naam. Vergel. ook
flg. 823.
309. Een eiken-takje (Quercus), waarop 1 vrouwelijke bloem, 1 vrucht met napje
en 1 napje zonder vrucht. Dit napje of bekervormig omhulsel werd vroeger be-
schouwd als alleen te zijn gevormd door de zamengroeijing en latere verhouting van
een aantal schutblaadjes onder de bloem. Thans wordt aangenomen, dat dit ontstaat
uit een bekervormig as-deel, onder welks rand zich eenige rijen, later ineensmel-
tende blaadjes ontwikkelen. — Ook bij den beuk {Fagm) en den tammen kastanje
{Castdnca vésca) zou hel 4-kleppige napje den zelfden oorsprong hebben. Bij den haag-
beuk {Carpinus Bétulus) en den hazelaar {Córylus AteUdna) zou het omhulsel der
vruchten — ook wel napje geheeten — eene zuivere bladvorming zijn, en dus in
oorsprong niet vergelijkbaar met dat van eik of beuk.