Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
24S

303. BloemsiliiiïeD.
daar dit
en eenen anderen vorm dan
de overige deelen der bloem
bezitten, ook als geheel bij-
zondere deelen te moeten be-
schouwen. Tegenwoordig is
men tot de overtuiging ge-
komen, dat de uitscheiding
van een suikerhoudend sap
het regt niet geeft, om het
plantendeel, waaraan dit ei-
gen is, als iets geheel zelfstandigs te beschouwen,
bij allerlei as- en bladvormingen kan voorkomen. Men acht
het gepaster, om dan, wanneer de vorm van zulk een deel
eenigzins afwijkend moge zijn, daarin bloemomhulsels of voort-
plantingsdeelen te zien, welke geheel of gedeeltelijk onder
eene minder gewone gedaante optreden of aan hunne opper-
vlakte grootere of kleinere aanhangsels of slechts plekjes be-
zitten, waardoor zulk een sap naar buiten dringt. De plaat-
sing van het deel of de plek, waarbij dit wordt waargenomen,
geeft O. a. voldoende opheldering tot bepaling van zijnen wa-
ren aard.
Bij de beschouwing der bijzondere bloemdeelen zullen wj
gelegenheid vinden, u op de overgangen te wijzen, welke
hier en daar tusschen de deelen van den eenen en die van
den daaropvolgenden krans voorkomen. Hier ter plaatse heb-
ben wij echter van eenen anderen overgang te gewagen. Niet
z?lden vindt men namelijk de bloemknoppen en dus ook later
de bloemen uit de oksels (z. b. bl. 190)- van bladeren ont-
sproten, welke zich door grootte, vorm of kleur van de ove-
rige stengelbladeren onderscheiden (z. b. bl. 162). Zij bezitten
soms zulk eene geheel eigenaardige gedaante of kleur, dat
een minkundige ze ligtelijk als tot de bloem zelve behoorende
rekenen zou. Dit kan voornamelijk het geval zijn, wanneer
zij meer bloemen tegelijk omhullen en vóór hare ontluiking
.stamper op in do lengte uitgegroeide tussehenknoopen van den bloembodem beves-
tigd zijn.
.30.3. Schijfvormige uitbreidingen (b 1 oe ms c h ij v en) van den bloembodem. A. be-
neden het onderste gedeelte van den stamper (b. v. by Polemónium coerSlttm, ook
bil de Lipbloemigen, enz.)j B. rondom dit gedeelte (b. v. bij de paponmuts, Erónymus
/•uropana)-, C. boven dit gedeelte (b. v. hij Rubincéën, schermdragenden, enz.).
16*