Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
239
vrouwelijke geslachtsdeelen te onderscheiden. Daarom hee-
ten ook die bloemen, waarin alleen meeldraden voorkomen,» man -
nelijke", die, waarin alleen stampers optreden, »vrouwelijke",
en waarin zij gezamenlijk, d. i. op dezelfde as bevestigd, aanwe-
zig zijn, »tweeslachtige"; —de laatsten komen het meest voor.
Wanneer nu die deelen, waarvan meer in 't bijzonder het
ontstaan van kiemen bevattende zaden afhangt, zonder andere,
minder regtstreeks daartoe bijdragende deelen, optreden, dan
wordt daardoor ook
de eenvoudigste vorm a
van bloemen verte-
genwoordigd. Zulke
bloemen zijn er in-
derdaad, en wel met
name in de groep der
naaktzadigen (z. b.
bl. 108); deze be-
zitten de gewone om-
hulsels niet. Ook in
andere groepen vindt
men voorbeelden van
BloeieD, met zeer eenvoudigen boBW-
hoerende jilnnt; elke bloem bestaat hier uit eene stuifmeel-massa, die in eenen over-
langs openspringenden helmknop aan weerszijden van de middelnerf van een blad- of
schubvormig deel gevormd wordt; 6. eene verzameling van vrouwelyke bloemen
eener soortgelijke plant; elke bloem bestaat hier uit een onbedekt zaadknopje, waar-
van er eenige in de tandvormige inkervingen aan weerszijden van een bladvormig
deel boven elkander optreden; c. één zoodanige bladvormige drager der zaadknopjes,
vergroot. — Bij de coniferen staan ook de bloemen groepsgewijs bijeen; d. één
der mannelyke bloemen van de den (Firms sylvéstris) op zich zelf, waarbij ook uit
de hokjes van eenen op een scliubvormig deel bevestigden helmknop Jiet stuifmeel
uittreedt. = De jeneverstruik {Juniperun commünis) draagt ook zijne manneljjke bloe-
men zeer digt bijeen; elke bloem — e — bestaat uit een schub, die van onderen
met 8—fl eenhokkige lielniknoppen bezet is. — In dezelfde groep staan ook de vrou-
welijke bloemen zeer nabij elkander, en wel als onomhulde zaadknopjes op een
schubvormig deel, of wel ook zonder dit, tusschen 1 of meer blaadjes; zoo stelt /.
ééne vrouwelijke bloem voor van de spar {Finus Abies)-, g. van de den {F. sylrés-
trii)\ h. van de zilverspar {F'mus Picea).
'298. A. Eén der mannelijke bloemen van het katje eener wilg {Sólix); 2 meeldra-
den (i n andere bloemen 1 tot H) op een bladachtig deel bevestigd, waarbij soms
nog 2 kleine kliertjes komen, vormen hier de geheele bloem; B. eene vrouwelijke
bloem van soortgelyke plant, waarbij in de plaats der meeldraden een stamper
voorkomt,
299. A. Eén mannelijke, B. één vrouwelijke bloem van rietgras of zegge (Cdrex);
de eerste bestaat uit 2 of (hier) 3 meeldraden, ondersteund door een schubje; de
andere uit één stamper met 2 of (hier) 3 stempels, gedeeltelijk in een vliezig ko-
kertje besloten en ook door een cchubje ondersteund.