Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
285
geheel of gedeeltelijk gevuld wordt. Bij verderen groei der
voorkiem bersten de omhullende lagen der spore, hoewel de
voorkiem niet uit de daardoor ontstane spleet van het om-
hulsel of zelfs uit de spore zelve te voorschijn komt, maar
even als bij de watervarens, een groen kapje aan den top
der spore vormt. Op de voorkiem ontstaan nu door de ver-
meerdering van eenige cellen eenige archegoniën; van de be-
kende fleschvormige gedaante, met een kanaal in het halsge-
deelte, naar céne groote cel leidende, die in het buikgedeelte
van het archegonium gelegen is. Gewoonlijk wordt slechts
één archegonium van alle op de voorkiem aanwezige bevrucht.
Die bevruchting geschiedt, wanneer er zwermdraden in aan-
raking komen met eene vrije dochtercel, welke reeds in ge-
melde groote cel gevormd wordt en haar bijna gelieel vult,
vóór dat door het uiteenwijken van de vier celrijen, welke
het halsgedeelte zamenstellen, het kanaal daarin ontstaat.
Doordien nu, ten gevolge van gestadige celverdeeling, in die
bevruchte vrije dochtercel, de aanleg van het jonge plantje
te voorschijn treedt, wordt weldra de voorkiem en verder
het nog overige gedeelte der spore vernietigd.
Uit de beschrijving der deelen, waarvan de vermenigvul-
diging der sporeplanten afhangt, kan u dus o. a. gebleken
zijn^ dat in dit opzigt bij de verschillende groepen eene
groote verscheidenheid heerscht. Deze is des te aanmerkelij-
ker in de eerst besprokene, welke namelijk uit planten be-
slaan, die zich wel eenerzijds door de meeste eenvoudigheid
en gelijkvormigheid harer weefsels onderscheiden, doch aan
den anderen kant onder de grootste afwisseling en rijkdom
in hare uitwendige gedaanten optreden. De gewassen, welke
tjes zijn de antheridiën (of kleine sporen), uit de van boven met eene sleuf openge-
sprongene vrucht ontsnapt. B. Opengesprongene spore-vrucht met de 4 daarin bevatte
sporen van Selai-inélla arliculdia. C. Kieming van een dier sporen; van onderen een
wortel-aanleg; aan den top van het as-gedeelte twee blaadjes, welke een zeer teéren
eindknop omhullen, welke tot een eenvoudig (D) of dubbel stengeltje uitgroeit en
zoo reeds in jeugdigen toestand den vorm der zich verder daaruit ontwikkelende
plant vertoont.