Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•233
reis, oliedroppels en een eiwithoudend vocht gevulde cel,
met een of meerdere lagen omhuld. Aan den top der sporen
.(Ä
Voortplaotiogsdeelßn vao watervarens.
vindt men een dier lagen uitpuilende en in 3 of in 8 drie-
hoekige lobjes gesplitst, of wel nog bovendien twee andere
laagjes, die iets verder reiken en, doordien zij niet geheel
gesloten zijn, een naar den top der spore uitloopend kanaaltje
vormen. Bij den verderen groei der sporen in 't voorjaar ver-
toont zich nu tusschen de uiteenwijkende lobjes aan den top
eene fraai groene cel-uitbreiding, de voorkiem, waarop Avel-
dra één of meer archegoniën ontstaan, waarin zich nu, kort
nadat ook te gelijker tijd de zwermdraadjes der antheridiën
zijn vrij geworden, een celgroepje vormt, hetwelk de aanleg
is van eene jonge plant.
De wolfsklaauwigen eindelijk dragen óf tusschen do
gewone stengelbladen, of aan de binnenzijde van eenigzins
anders gevormde bladen, die aan de uiteinden der stengels
zeer digt bijeen staan, de deelen, — vruchten — waarin
zich óf de sporen, óf de antheridiën bevinden (*). Daar, waar
'29*2. A. Dwarse doorsnede van de 4-lobbige, in 4 kleppen openspringende vrucht
van Piluldria\ in ieder hokje bevinden zich te gelijk zakjes, die antheridiën en spo-
ren bevatten. D. Eene voorkiem dezer plant, welke aan den top der spore uitgroeit
en waaruit, na de bevruchting van een daarop voorhanden archegtfnium, de jonge
plant zal uitspruiten, C. Sporen- en antheridiën-bevattende zakjes van Marsilea qua-
dri/ólia; deze bevinden zich, regelmatig verdeeld, in grootere geleiachtige celmassa's
of zakken waarvan er hier één is voorgesteld), die, op hunne beurt, aan éénen ge-
leiachtigen streng verbonden zijn en, vóór het — met 2 kleppen — openspringen der
vruchten, de (5 tot 12) hokken, waarin deze inwendig verdeeld zijn, opvullen.
B. Eene kiemende spore dezer plant, overlangs doorgesneden; aan haren top puilt
daarop de voorkiem uit, even onder het kanaaltje, hetwelk door 2 omhulsels ge-
vormd is; bü verderen groei komt uit een bevrucht archegonium dier voorkiem de
jonge plant te voorschVin.
(*) Ook in deze groep worden de sporen vaak met den naam van „groote sporen"
en de antheridiën met dien van „kleine sporen" bestempeld. Met de beteekenis dier