Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
I. Kie-
•231
lijke wijze als bij de varens (z. b. bl. 227) de eigen-
lijke voortplantingsdeelen. In den vorm der voorkiemen
zelve heerscbt meer verscheidenheid dan in dien der
varens, en bij sommige soorten (*) komen de antheri-
diën en archegoniën niet op dezelfde voorkiemen voor.
De zwermdraden, waarvan men in ëdn antheridium wel
150 en meer heeft geteld, zijn de grootste van alle be-
kende zwermdraden en met meer zijdelingsche trilhaar-
inendB Iiaartjes of wimpers bezet dan die der varens. Op
spore. (ï^ine voorkiem kunnen 20—80 archegoniën voorkomen;
daardoor ontstaat soms
meer dan ééne plant uit
dezelfde voorkiem. Na de
bevruchting der archego-
niën verdwijnt de voor-
kiem langzamerhand en
spruiten er in het eerste jaar
slechts onvruchtbare sten-
gels uit, terwijl pas een
jaar later uit het onderaardsche overgeblevene gedeelte de
sporendragende takken te voorschijn treden (z. b. bl. 144). —
Over de vermeerdering van paardestaartigen door middel van
bijknoppen en knolletjes is bereids vroeger (bl. 201) gesproken.
Bij de water varens (t) komen, wanneer zij ontwikkeld zijn,
bol- of eivormige vruchten voor, die soms zelfs op dezelfde
291 VoortplaDtÏQgsdeelen m paardestaartigen.
289. De bovenste cel, waaruit de voorkiem ontspruiten zal, bevat nagenoeg al het
bladgroen der eerste cel of spore; de onderste, het eerste wortelhaar, bijna alleen
een waterig celsap met eenige korreltjes.
290. A. Een in regtopstaande rigting voorgesteld dwars takje van den algemeenen
vruchtdragenden spil, aan zijnen top het dwarse plaatje of schijfje dragende, aan
welks onder- of binnenzyde de sporenbevattende zakjes geplaatst zyn. B. Een voor-
kiem, in verschillende levenstijdperken. C. Twee zwermdraden.
(*) Equisétum arténsey praténse en palustre.
(+) De naam van watervarens is daarom aan deze planten gegeven, omdat zy
in stilstaande of langzaam vlietende wateren voorkomen en omdat hare bladvcrmige
deelen, even als bi) de varens, in jeugdigen toestand spiraalsgewijs zijn ingekruld
(z. b. bl. 182 en 185). Anderen noemen ze ook „w o r t el v r u cht i ge n", (de eigen-
lijke vertaling harer in de wetenscliap gebruikelijke benaming; rhizocarpéën),
omdat hare vruchten op zeer korte of langere steeltjes bevestigd zijn, die in de na-
bijheid der wortelvormige deelen (z. b. bl. 132) ontspringen. Vier in hunnen bouw
vrij uiteenloopende geslachten — Azólla, Saltiniay MarsUea en Piluldria — stellen
deze groep te zamen. Wij zullen hierboven slechts dJtt betrekkelyk dc vermeerdering
dier gewussen, wat aan hen allen gemeen is, kortelijk schetsen.