Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•230
ongeveer uitziende als een spijker-kop, doch
van binnen, naar den kant der spil namelijk,
5—7 vliezige zakjes — vruchten— dragen-
de,die zich binnenwaarts met eene overlangsche
spleet openen en de daarin gevormde spo-
ren, in rijpen toestand, als een groenachtig
poeder laten ontsnappen. Deze sporen heb-
ben dat eigenaardige, dat hare buitenste
wand niet, zoo als bij andere sporen, ver-
dwijnt, maar zich verdeelt in twee spirale,
aan hunne uiteinden verbreede banden, die,
bij rijpwording der sporen, daarvan gedeel-
telijk losraken. Hunne ligte geneigdheid tot
het opnemen van vocht draagt veel bij tot
hunne uitrekking en gedeeltelijke losraking,
hetgeen tevens het wegspringen der sporen
281.Paarlestaart-mcliten. bevordert. Klopt men zulk eenen vrucht-
dragenden stengeltop in de
opene hand uit, dan ziet men
reeds door een een-
voudig vergrootglas de
sporen, als een groene
stof, eenigen tijd in
springende beweging. 288. Sporen eener paardestaarL
Bij 60—80-voudige vergrooting onder het mikroskoop her-
kent men reeds de rekking der gemelde banden als de oor-
zaak daarvan. De sporen, ontdaan van hare spiraalbanden,
zijn bolronde cellen, eene kern (z. b. bl. 62), een geel, oliedrop-
pels houdend vocht en een aantal bladgroen-korreltjes bevatten-
de. Bij den verderen groei •— kieming — der spore, verdeelt zij
zich weldra in 2 ongelijke helften of nieuwe cellen, waarvan
de onderste meestal het eerste wortelhaar vormt van de uit
de bovenste helft, door herhaalde celdeeling, ontstaande voor-
kiem. Op deze voorkiem vertoonen zich nu, nagenoeg op ge-
287. Vruchtdragende tak van de akker-paardestaart (EquisHum arrénse), ook her-
moes, roobol of unjer genaamd.
288. o. De spiraalbanden — ook springdraden geheeten — v<J(5r hare rijpheid,
nog geheel met de sporen verbonden; b. na de rijpwording daarvan, gedeeltelijk los-
geraakt.