Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•226
nabijheid, en alsdan wordt gewoon-
lijk ieder hoopje nog door een bij-
zonder vliesje (soms slechts door
eene bekervormige omplooijing van
den loofrand) omhuld. Bij het ont-
staan der vruchten wordt dit vliesje
het eerst gevormd, zich namelijk als
een klein plaatje van de opperhuids-
cellen verheffende. Daardoor steeds
bedekt blijvende, vormt zich nu aan
het uiteinde van een vaatbundeltje
eene rij cellen tot steeltje van de
aanstaande vrucht, die het eerst
aan den top van dit steeltje als een
knopvormig celgroepje optreedt. Dit
laatste groeit steeds voort en veran-
dert aanvankelijk in het omhulsel
of den wand der vrucht, terwijl
ééne rij zijner cellen zich als veêr-
krachtige ring ontwikkelt. Tevens worden, door dien wand
omringd, in ééne groote cel een aantal dochtercellen inwendig
gevormd, waarvan elke de moedercel van 4 sporen wordt.
Na het verdwijnen der moedercelwanden liggen nu de spo-
ren los in de holte der vrucht, en wel gewoonlijk als rond-
achtige of hoekige, bruin gekleurde korrels, bestaande ieder
uit eene cel, welker wand een vrij dik bekleedsel bezit,
waarop allerlei uitpuilende puntjes of andere verhevenheden
voorkomen.
Wanneer de vruchten rijp zijn, dan trekken zich de cellen
van den ring door verdi'ooging te zamen, waardoor de wand
der vrucht zijdelings onregelmatig wordt opengescheurd;
somtijds verdeelt zich, met name daar, waar geen ring aan-
wezig was, de wand door eene meer regelmatige splitsing
in kleppen, enz. De nu ontsnappende sporen kiemen na 3
281 Varen-vrachten.
281. A. Een pluim van den mannetjes-varen (Folyslichum Filix Mas)-, met in 2
rijen staande vruchthoopjes op de ondervlakte van elke vinvormige uitbreiding der
pluim. Plukt men elk hoopje met een paar fijne naaldjes uiteen, dan vindt men, na
vernietiging van het omhullende vliesje, een aantal vruchten, waarvan er eene in B
is afgebeeld, in opengebersten toestand en daardoor de sporen latende ontsnappen.