Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•224
de vorm en oppervlakte vrij verschillend zijn kunnen en hetwelk
uit eene of meer cellenlagcn bestaat, groeit zoo lang voort,
tot dat zich aan den top van den steel de eigenlijke vrucht
ontwikkelt. Die steel komt in zeer onderscheidene lengte
voor en draait zich dikwijls bij uitdrooging om zijne eigene
as, om zich weder bij bevochtiging, door het indringen van
water in de vooraf zamengetrokkene cellen, lijnregt uit
te strekken (*); zijne kleur is geel, bruin, rood, enz. De
vorm der vrucht wisselt af van bolrond tot langwerpig en
zelfs veelhoekig, met een kleine aanzwelling of versmalling
aan den voet. In rijpen toestand berst zij óf onregelmatig
open, óf splitst zij zich regelmatig in 4 tot 8 kleppen, óf —
en dit is gewoonlijk het geval, — opent zij zich door eene
ringvormige dwarse sleuf, waardoor het bovenste gedeelte
zich als een dekseltje, hetwelk gewoonlijk in een klein scheef
kegeltje uitloopt, daarvan afscheidt. Het op het laatste beves-
tigde mutsje raakt weldra hiervan los en valt
dan ligt af. Na verwijdering van het deksel-
tje, vindt men somwijlen een fijn wit vliesje
over de holte van de vrucht gespannen, het-
welk eene vliezige uitbreiding is van het zuil-
tje (eene celstreng), hetwelk van binnen in het
213. LoofmosvruclitBn. „lidden der vrucht, in regtstreeksche verlen-
ging van den steel, oprijst; in geheel rijpen staat der vrucht
is dit zuiltje dikwerf reeds verwelkt. Tusschen het dekseltje
en den rand der vrucht laat somtijds ook nog een afzonder-
lijke ring — uit 3 of 4 celrijen bestaande — los. De rand
der vrucht, waarvan zich het dekseltje heeft lo.sgemaakt, ver-
toont zich nu of geheel gaaf, of met 1 of 2 rijen zeer sierlijke,
meestal bruingekleurde aanhangseltjes, tandjes of franjes, voor-
zien, en wel ten getale van 4, 8, 16, 32 of 64. De wand be-
staat uit meerdere cellenlagcn en omsluit inwendig in een vliezig
zakje de sporen, die zich ook bij 4 in elke der moedercellen
ontwikkelen, door het verdwijnen der laatsten spoedig vrij
(*) Het boven blz. 22.^ een weinig vergroot afgebeeld Funaria hygroniétrica bezit
deze eigenschap zeer in 't oog loopend.
270, A. De in 4 kleppen openspringende vrucht van Andraéa, van boven nog met
een dekseltje voorzien, hetwelk bij de met 4 kleppen openspringende vruchten van le-
vermossen niet bestaat; B. de nog geslotene vrucht van Polytrichum pili/eritm.