Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•221
mede, aanvankelijk hier-
omheen een omhulsel vor-
mende, hetwelk gewoon-
lijk nabij den top berst,
doordien er de bij rijp-
wording der vrucht zeer
snel doorheen groeijende
vruchtsteel doordringt.Als-
dan blijft alleen de voet
van den steel met dit om-
hulsel omringd, waarmede
men vaak no2 eenige on-
216. VoorlplaotiDgsdealeQ van levermossen.
bevrucht geblevene en verdroogde archegoniën vereenigd vindt.
De cellen van het buitenste gedeelte der vrucht vormen ha-
ren wand, terwijl de binnenste cellen gedeeltelijk moedercel-
len van sporen worden en gedeeltelijk in springdraden
veranderen, d. i. in lange, buisvormige cellen, inwendig met
1 of 2 spirale (meestal bruine) verdikkingslagen bekleed (*).
In rijpen toestand berst nu de vrucht regelmatig (met klep-
pen, tandjes, enz.) of onregelmatig open, waardoor dan de
sporen vrij worden. Bij hare ontsnapping worden deze voort-
gedreven door de springdraden, welke zich bij het openber-
sten der vrucht plotseling loskrullen en óf mede daaruit ont-
snappen, óf aan den binnenwand vastgehecht blijven.
De sporen, waarvan er gewoonlijk 4 in elke moedercel
ontstaan, zijn bolrond of kantig en meestal met eene vaste,
bruine, dikwijls met wratjes of stekeltjes bezette laag bekleed.
Behalve door sporen, is de voortplanting bij enkele levermos-
276. A. Binnen een bladachtig omwindsel c. (z.b. bl.223) liggen hier 2 archegoniën
a en 6 van {Frulldnia dilatata'j: een daarvan is slechts bevrucht en doet zich in
rijpen toestand voor zoo als B; dit is namelijk de pas opengesprongene vrucht, vnn
onderen met eenige digt bijeenstaande bladkransen omringd, waarbinnen nog ver-
borgen ligt het hierboven beschrevene omhulsel, afkomstig van het onderste gedeelte
van het uitgp^^r'^eide archegonium. Aan den top ziet men hier 8 van de 4 openge-
sprongene kleppen, waarop de springdraden nog zijn bevestigd gebleven, C. is één
antheridium dezer plant. I). Een der springdraden van Fsgatélla, E. Zwermdraden
van riagióchüa.
(*) Bu de Riccieën (waarbij het boven beschrevene omhulsel zich niet aan zijnen
top opent, doch door de latere vernietiging van den vruchtwand regtstreeks de spo-
ren omsluit en dezen door zijne onregelmatige verscheuring eindelijk gelegenheid
geeft te ontsnappen,) vindt men deze springdraden niet. — Bij Anthocéros vindt
men wel lange buisvormige draden, doch zonder spirale verdikking.