Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•216
eene of twee tegenovergestelde plaatsen met enkele (2 tot 4)
trillende haartjes bezet, wier beweging die der spore schijnt
te bewerken. Hier en daar heeft men bij dezelfde plant
tweederlei vormen (grootere met 4, en kleinere met 2) waar-
genomen. Het bestaan en dus ook de beweging dier haar-
tjes eindigt, zoodra zich rondom het plasma, waaruit deze
sporen aanvankelijk zijn zamengesteld, eene celstof-wand af-
gezet heeft. Dikwerf heeft men ze voor zoogenaamde afgiet-
sel-diertjes gehouden.
Vroeger noemde men de hier geschetste, zich zelfstandig
ontwikkelende zwermsporen »volmaakte" en meende men eene
andere soort, die zich onderscheidde door hare meerdere
kleinheid en door het gemis van kiem-vermogen, als »onvol-
maakte" zwermsp- ren te kunnen beschouwen. Thans echter
heeft men de laatsten als iets geheel anders leeren kennen.
Men heeft namelijk ontdekt, dat zij in bijzondere cellen, —
welke men antheridiën heeft genoemd (z. b. bl. 106), ■—
gevormd wórden en in aanraking komen met de rustende
sporen (zoo lang deze nog alleen uit plasma be-
staan). Bij verschillende wieren is men er reeds
in geslaagd, het ontstaan dier zwermende celletjes,
die langwerpig of blaasvormig en aan elk harer
beide uiteinden van een haartje voorzien zijn,
,„ „ , eade te slaan, doch, wat meer is, ze onder zeer
10. Bevncli- f , ,, , u- i i i -j
belangwekkende verschijnselen ook van do zijde
lenda celletjas. gpore-vrucht (d. i. van de moedercel, waar-
in de toekomstige sporen nog als plasma-bollen bevat zijn),
in de jeugdige sporen te zien indringen. Hare tegen-
woordigheid binnen in de spore maakt deze nu tot ver-
dere uitgroeijing geschikt; met andere woorden: deze zwer-
mende celletjes oefenen eenen be vruchtenden invloed
op de sporen uit; ondervinden deze dien invloed niet, dan
kunnen er geene nieuwe planten uit voortspruiten. De eerste
aanduiding der bevruchting bestaat in de afzetting van een
vast vliesje rondom het plasma der sporen; het ingedrongene
kiemen (zie het bovenste figuurtje links). — Om dit alles goed te zien, heeft men
minstens eene 400-malige vergrooting noodig.
270. Van Faurluria. Men heeft ze ook wel „zaaddiertjes" enz. genoemd.