Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•214
Allerlei tusschenvormen daarlatende, vindt men de meer-
cellige Avieren in drieërlei hoofdgedaanten ontwikkeld, óf na-
melijk lijn-, draad- of buisvormig (door regte celrijen), óf
vlak-(vlies- of plaat-)vormig, óf ligchamelijk (in lengte, breedte
en dikte). Even afwisselend als hunne gedaante, is ook de
wijze, waardoor in hunne vermeerdering voorzien is. Even
als bij de ëdncellige wieren iedere plant de moedercel van
sporen is, kan bij vele draadvormige meercellige wieren elke
cel die rol vervullen; zij zet zich daarbij blaasvormig uit.
Bij andere vlak uitgebreide geschiedt dit op onbepaalde plek-
ken of wel — bij vertakte vormen —
aan de uiteinden. In eene andere groep
\ van meer ontwikkelden vorm (*) komen
op bepaalde plaatsen hoopjes broeicel-
len (t) en sporen op verschillende in-
dividu's voor, meestal ten getale van
4 bij elkander in eene moedercel. In
eene andere hoogere groep (§) vindt
men de sporen-bevattende cellen op de
eene of andere plaats,meest al aan den top,
van het loof vereenigd tot één ligchaam—
vrucht — van eenigzins doosvormige
gedaante; ofwel afzonderlijk of in groep-
jes verspreid op de buitenvlakte van het
loof of in regelmatige rijen even onder
die oppervlakte. Terwijl bij eenige wie-
ren soms enkele cellen uit hun weefsel
vrijraken, die dan tot nieuwe planten
uitgroeijen (**), geschiedt dit bij eenige
andere met geheele stukken of takken.
268. Wier-vracM.
(*) Die der Florideën of purperwierer.
(+) Onder „broeiceUen" (of „gonidiën") verstaan wij hier eenvoudige, bolvornnge,
vaak bladgroen bevattende cellen, die groepsgewijs in bepaalde cellen zelfstandig ont-
wikkelen én of nog in de moedercellen, of, na daaruit te zijn getreden, gewoonlijk
door inwendige dochtercelvorming tot nieuwe individu's uitgroeijen.
(O Die der Fucoideën, bruin- of lederwieren.
(**) Sommigen noemen dezen meer bepaald „broeicellen".
268. Blaaswier (Fueus vesiculósus)-, zie noot 157 op bl. 129; de vruchten (6) liggen
hier in eene holte van de buitenste laag van het loof; de hier by a paarsgewys ge-
plaatste holten vindt men bij andere wieren (b. v. Sargassiim), als blaasvormige, ge-
stoelde aanhangsels.