Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•208
terwijl (Ie sporendragende deelen daarvan naar bniten treden,
of, hetgeen nog gevaarlijker is, binnen in het plantendeel
verborgen blijven (*).
De sporen, welke zich op de tot hiertoe gemelde wijze vor-
men, zijn verschillend van gedaante en
klenr en soms in groepjes zamenhangende.
Haar inhoud is eene korrelige vloeistof
met een of meer celkernen. Zij hebben
het vermogen, onder daarvoor gunstige
omstandigheden, te kiemen, d. i. tot nieuwe
plantjes uit te groeijen. Er zijn echter,
behalve dergelijke sporen, bij vele der
259 ZwaiDSporen eenvoudigste, meerendeels parasitische
zwammen, veel kleinere ligchaampjes ge-
vonden, die door afsnoering aan het uiteinde van fijne dra-
den vrijworden en nimmer kiemen (f). Zij bevinden zich al
of niet in bijzondere deelen (§); in het laatste geval komen
zij in de onmiddellijke nabijheid der sporendragende deelen
voor. In het eerste geval (waar zij zich namelijk in bijzon-
dere deelen vormen,) hield men dezen vroeger voor bijzondere
zwammen, die op andere woekerden; thans meent men ze
voor den mannelijken geslachtstoestel te moeten hou-
den, welks invloed niet gemist zou kunnen worden, opdat
de sporen voor kieming geschikt worden.
Verder is het in lateren tijd gebleken, dat bij dezelfde
zwam achtereenvolgens verschillende (2, zelfs 3) voortplan-
tingsvormen voorkomen kunnen (b. v. met sporebuizen en
met basidiën, en zelfs met nog andei-e kleinere sporen); dit
geldt met name voor de groep der stofzwammen, doch komt
(*) Hen, die hieromtrent meer bijzonderheden wenschen te leeren kennen, verwij-
zen wij naar een opstel van den hoogleeraar h. c. van hall, getiteld: „Roest,
brand, moederkoren en aanverwante ziekten bij granen en peulvruchten", in het
Tijdschrift, uitgegeven door de Ned. Maatsch. ter hevord. van Nijrerheid, 188-2, D. III,
St. I, bl. 30—50.
'259. Db meeste afwisseling in den vorm vertoonen de basidiënsporen; bij dezen
onderscheidt men dan ook twee lagen in den celwand; de buitenste is echter niets
dan de moedercel, de binnenste de eigenlijke celwand der spore. — Bij enkele in
sporebuizen gevormde sporen (zoo als bij dc truffels) vindt men den celwand der
sporen nog bekleed met een vliesje, waarop allerlei uitspringende streepjes en puntjes
voorkomen, welke aan de sporen dikwerf een zeer sierlijk aanzien ges en.
(+) Men heeft ze spermätien genoemd.
(J) Deze deelen zyn met den naam van spermogöniën bestempeld.