Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•200
241. Bolletjes nabij de Hoemea.
Terwijl bij de bolleu inzonder-
heid de aan de as van den knop
bevestigde
bladeren ver-
dikt zijn, ko-
men er andei^e
knoppen voor,
waarvan het
asgedeelte
zeer sterk ver-
dikt is. Hier-
toe behooren
de knollen
246. Bolletjes op dea steosel. eigenlijk
de oksel- of eindknoppen van onderaardsche stengels zijn met
eene geheel verdikte knop-as. De aan deze as bevestigde bla-
deren zijn ter naauwernood ontwikkeld, soms in 't geheel
niet meer herkenbaar; beter zigtbaar zijn echter de knoppen,
welke op die as voorkomen en
waaruit, indien zich de knol in
daarvoor gunstige omstandighe-
den bevindt,
stengels uit-
loopen, welke
nieuwe plan-
ten kunnen
vormen. Uit
den ouden
knol putten de
rv
u.
2a KflolleD.
jonge »uitloopers" hun voedsel.
246. Een gedeelte van den stengel van LiUuvi btühiferum. In de oksels der bladen
komen bolvormige knoppen voor.
247. De bloeischerm van AlUum proKferum. Ter zelfder hoogte der bloemen vormen
zich gesteelde en ongesteelde bolletjes. Ook bij enkele andere \ook-(AlliuM')sooTten
wordt dit verschijnsel soms waargenomen.
248. a. Onderaardsch stengelgedeelte van de aardappelplant (Soldnutn iuberSsum).
Het zijn meestal de eindknoppen, welke zich als knollen ontwikkelen. Van de meer-
dere of mindere uitgroeijing der tusschenknoopen, waaruit de verdikte as bestaat,
hangt de grootte en vorm van den knol af. Bij den zeer langwerpigen aardappel en bij
de aardpeer of topinambour (Helianlhus tuberósus) zijn de tusschenknoopen in de
lengte uitgegroeid; bij de rondere aardappelvormen z^jn zij het kortst gebleven. —
h. Een aardappelknol met de daarop zigtbare knopjes of „oogen", welke men bij zijne