Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•227
dikkere laag droogc vliezen omhullen, terAvijl deze bij de vroe-
ger beschrevene kno}>pen meestal bij de uitbotting afvallen
(z. b. bl. 192).
Hiertoe behooren o. a. de bollen, welke alleen bij een-
zaadlobbigen voorkomen en of terstond uit kiemen voortsprui-
ten, of wel als okselknoppen in oudere bollen ontstaan, of ook
als okselknoppen op uit bollen ontwikkelde stengels; ja zelfs
nemen zij somwij-
len geheel of ge-
deeltelijk de plaats
van bloemen in.
Het as- of sten-
gelgcdeelte van dc
bollen sterft lang-
zamerhand van
onderen naar bo-
ven af, is steeds
zeer kort en draagt
een grooter of
kleiner aantal min
kelde bladen, wier scheedegedeelten in
afgestorven toestand als dunne vliezen
de nog levende, vleezig verdikte schee-
degedeelten der binnenste bladen om-
hullen, of soms ook zoo ras afvallen,
dat de laatsten bloot liggen: bij hun-
nen aanleg zijn zelfs ook de buitenste bladvormsels dik of
vleezig, later worden deze bij hun afsterven, zoo als gezegd
is, dunner en daarbij meestal bruin gekleurd; de binnenste
bladen blijven wit of althans bleeker en verliezen bij uitgroeijing
van den bol tot eene plant ook hunne vleezige dikte. (*)
244. Van den herfst-tijdeloos {Cólchicxim autmnndle).
245. De jonge boUen, die zich in de oksels der rokken van oudere bollen ontwik-
kelen, heeten klisters. Men vindt hier 2 afgebeeld in eenon uijenbol (Allium Cépa).
(•) Er komen ook okselknoppen voor, die zich als bollen ontwikkelen op stengels
van planten, welke niet uit bollen zijn ontstaan en bij losraking van die stengels
wel tot zelfstandige planten, maar niet als bolgewassen uitgroeijen (b. v. bij Dentdria
biUbt/era, Saxi/raga lulhifera, enz.). — Dcor eene dissertatie van h. pbtbr (Göttin-
gen, 1862) is met meerdere zekerheid dan tot dus verre de ware aard der op bollen
gelijkende knopvormingen bij Polygonum viüparum (s e hij n k n ol 1 e n), Dentdria biü-
b'/era (schijnbo 11 en), Saxtfraga granuldta (bolknoppen) en Oxalis Déppei
(broeibolien) bekend geworden.
Klisters-
of meer ontwik-
Digte bol