Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•198
De vorige, dwars door^e-
sneden
242. |j?scliiibi8 lol.
243. De vorige, overlangs
doorgesneden.
sto knoppen kunnen dan op de gewone wijze voortgroeijen.
Er zijn echter knoppen, welke immer op eenen bepaalden tijd
van de plant, waarop zij ontstonden, van zelf losraken en ge-
heel zelfstandig tot nieuwe individu's uitspruiten kunnen (*).
Zij hebben allen dat eigenaardige, dat zij in den regel ge-
heel of gedeeltelijk in 't oog loopend vleezig of melig ontwik-
keld zijn, terwijl gewoonlijk hunne knopbekleedsels van lie-
verlede van buiten naar binnen afsterven en alsdan de bin-
nenste (of hoogere) bladen en de as als eene dunnere of
241. Bij dwarse doorsnijding ziet men duidelijker, hoe die bladeren elkander krings-
gewijs omsluiten. Die bladeren, waarvan de buitenste als eigenlijke knopbekleedsels
te beschouwen zijn, heeft men ook schubben of rokken genoemd. — Bij den
ajuin- of uijenbol {Allium Cépa) vindt men denzelfden bouw.
242. Van de lelie (Lüium). Een bol heet „geschubd'*, wanneer zijne bladeren elk-
ander slechts gedeeltelijk bedekken.
243. Bij overlangsche doorsnijding vertoont zich het verschil tusschen de buitenste
of onderste en de binnenste of hoogere bladeren duidelijk. Bovendien blijkt het dan,
hoe die allen op de kern of het asgedeelte van den bol zijn bevestigd en dat de
top hiervan zich ook als een eindknop voordoet, die later als bloemdragende as
(bloemsteel of steng) zal uitschieten. — Gerokte en geschubde bollen noemt men te
zamen bebladerde bollen, in tegenoverstelling van digte bollen, waarbij na-
melijk slechts één enkel of eenige zeer weinige bladeren aan de as van den bol be-
vestigd zijn.
(*) Men heeft zulke knoppen broeiknoppen genoemd, terwijl de tot dus ver
beschrevene, gewoonlijk met hunne moederplant verbonden blijvende knoppen, tak-
vormende knoppen genaamd worden.