Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•195
231. Bladligjinj.
knop met be-
trekking tot
elkander gele-
gen zijn, b. V.
of zij elkander
al of niet, ge-
heel of gedeel-
telijk , met
hunne randen
bedekken,enz.
dan zal zich
ook hierin me-
nig onder-
scheid vertoo-
nen. — Zoo blijkt het, dat de knoppen, welke voor een
onkundige welligt geen zeer in 't oog loopend verschil ver-
schil aanbieden, aan den ingewijde allerlei beteekenende ken-
merken opleveren, voldoende, om in menig geval de geheel
van bladeren ontdane plant, b. v. in den winter, te herken-
nen. Ja zelfs geeft daaromtrent reeds alleen het likteeken van
het afgevallene blad, in welks oksel zich de knop vormde,
eene niet onbelangrijke aanwijzing. Naast de bepaalde ge-
daante van dit likteeken komt hierbij namelijk ook in aan-
merking, of dit likteeken al of niet eene min of meer verhe-
vene plaats op de as beslaat (z. b. bl. 1G8); hoedanig de
rigting der knoppen tegenover het likteeken is (loodregt,
schuin, enz.), en eindelijk in welken vorm de vaatbundels,
zijnde de overblijfselen van die, >velke in het vroeger aldaar
geplaatste blad intraden, op het likteeken voorkomen. Telt
men hierbij nu nog de gedaante, de kleur, de beharing der
237. In de betrekkelijke ligging der tot eenen knop behoorende bladeren kunnen
de volgende toestanden voorkomen: aanraking der randen: a. bloem-omhulsel van
Slapéliif, h. van Clematis; — één blad omvat de overige: c. pruim (l'rünus domés-
ika), abrikoos {Vrürnis arnimiaca)', d. salie {Sdlria)', e. lischbloem {Ins)\ — onder-
linge halve omvatting : ƒ. (gedraaid) bloembladen der mahve (iVaïra); der koekoeks-
bloem {LycUnis)-, h. der anjelier {I)idnthus)\ i. bladeren van den sering (Syrtnga); —
twee buitenste onbedekt, twee binnenste bedekt en een vijfde blad lialf hiertusschen
geschoven: j. bloembladen der roos; — bijzondere toestanden: k. bij de bloemen van
monnikskap (Aconituni) en doovenetel (//t/wu'uj^O; l- van de vlinderbloemingen (Pa-
pilionaceën); — afwisselende kransligging: 7n. in de bloemen van de wederik (Zy««?«-
c/iia); — tegenovergestelde kransligging: n. in de bloenuni van den wijnstok {Vith
rinifcra).