Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•104
woonlijk vóór hunne ontplooijing in de meest »»beknopte"
plaatsing te zamen gevouwen. Uitwendig laten zich blad- en
bloemknoppen soms door de plaats, die zij op de plant innemen,
en door den tijd van hun optreden onderscheiden; doch bo-
vendien zijn vaak de bladknoppen schraler, kleiner en spitser
dan de meer gezwollene en niet zelden grootere bloem- en
gemengde knoppen (de laatsten zijn jonge assen, Avaaraan
zoowel loofbladen als bloemen zullen ontspruiten). Wanneer
23b. Bladplooijiüg.
bloemknoppen als eindknoppen (z. b. bl. 190) voorkomen,
dan wordt de uiterste spits der knop-as mede tot de vorming
van bloemdeelen verbruikt, en hierdoor wordt het dan ook
onmogelijk, dat later aan het einde dier as een nieuwe knop
ontstaat, zoodat daar, waar een bloem aan den top eener as
is ontwikkeld, aan de verdere verlenging hiervan paal en perk
gesteld is.
De wijze, waarop elk jeugdig blad op zich zelf in den knop
geplooid is, is voor bepaalde plantengroepen zeer kenschet-
send en vertoont vooral drie hoofdtoestanden: het is namelijk
óf in de lengte, óf in de dwarste, óf onregelmatig zamenge-
vouwen. Slechts zelden ligt het in den knop geheel vlak uit-
gebreid. Wanneer men nu dat verschil in plooijing buiten
rekening stelt cn onderzoekt, hoe de bladeren in denzelfden
2.36. In deze en de volgende schematische figuren stelle men zich (behalve bij
23«. h, i en j) voor, dat de bladeren dwars doorgesneden zijn en dat men op de
dwarse doorsneêvlakte ziet; de hier en daar geteekende ronde knopjes stellen de
doorgesnedene middelnerven voor; het overige de bladschijfvlakte. — Zoo vindt
men A. in de lengte: met scherpe plooijen (gevouwen) a. voorwaarts: eik, linde,
enz.; b. achterwaarts: vermoedelijk nergens; c. met de randen voorwaarts: bloem-
bladen van clemStis; d. vele plooijen: berk, beuk, enz.; — of met ronde bogten
(opgerold); e. eenvoudig: pruim ;ƒ. met de randen voorwaarts: populier; ^.hetzelfde
achterwaarts: rosmarijn. B. in de dwarste (gebogen) A. voorwaarts: tulpeuboom(i/tnV
déndron)-, i. achterwaarts: monnikskap (AconUum)', j. van den top af gekruld: varen-
pluim, cyca«, enz. C. onregelmatig geplooid: k. bloembladen van maankop (Papdvtr).