Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
X.
IIÜE DE KNOPPEN ZIJN INGERIGT,
Wij gaan thans eenen stap terug en vestigen den blik op
de stengels en bladeren, voor zoo ver zij te zamen nog in
dat tijdperk verkeeren, hetwelk aan hunne volkomene ont-
wikkeling en ontplooijing voorafgaat. Alsdan doorloopen zij
namelijk hunnen knop-toestand, waarin zelfs de oninge-
wijde den voorbode van hetgeen de toekomst zal leveren er-
kent. Reeds lang toch vóór dat de zamenstelling der knoppen
zoo begrepen werd als nu, maakte eene wel is waar nog on-
beschaafde, doch tevens niet onjuiste dichterlijke natuurbe-
schouwing daarvan de zinnebeelden van blijde verwachtingen.
Men zag toen in den knop voornamelijk den voorlooper der
later te voorschijn tredende bladeren of bloemen. Tegenwoor-
dig, nu men o. a. weet dat de zijdelingsche aanhangsels der
stengels of takken, welke men bladeren noemt, slechts als
uitbreidingen daarvan beschouwd moeten worden, omdat zij,
bij hunne ontwikkeling, onder de spits daarvan buitenwaarts
worden uitgeschoven, en nu men ten andere, met het oog op
de wijze van hun ontstaan, geene scherpe grenslijn meer trekt
tusschen de gewone stengelbladeren en de meeste bloemdee-
len (z. b. bl. 162), hechten de plantkundigen aan het begrip
van nknop" voornamelijk die beteekenis, dat zij daarin slechts
den aanleg zien voor de verlenging eener bestaande of voor
de uitgroeijing eener nieuwe as. Reeds in de kiemen van
zaadplanten treft men een deel aan, hetwelk eenerzijds den