Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•186
gafFeltand, door de aanwezigheid van ware openingen in ha-
ren wand (z. b. bl. 59).
Een gedeelte van de groep
der levermossen is van blade-
ren voorzien, een ander niet.
Bij de bebladerde zijn de bla-
den gewoonlijk in twee rijen
op den stengel bevestigd;
meestal zijn zij aan hunnen
rand ingedeeld en liggen zij
dakpansgev/ijs boven of onder
elkander; niet zelden vindt
men nog eene rij kleinere bla-
den, die aan de boven (bl.
183) vermelde steunbladen her-
226. Leveriiios-biadereD.
inneren. Ieder blad bestaat uit één laag parenchymcellen, met
veel bladgroen gevuld.
De onbebladerde levermossen bestaan grootendeels uit plaat-
vormige, bladachtige uit-
breidingen van verschil-
lende gedaante en uit pa-
renchymcellen zamenge-
steld. Bij een daarvan (*)
221. Onbebladerd Isvernios.
vindt men in eene rij langwerpige cellen den eersten aanleg
220. Doordien de in twee rijen geplaatste blaadjes meestal in hetzelfde vlak liggen,
onderscheiden zij zich van die dor loofmossen, welke of naar ééne zijde, of, gelijk
meestal het geval is, naar allerlei rigtingen gekeerd zijn.
227. a. Veelvormige marchantia {Marchantia polymórpha)-, b. een gedeelte van het
loof (zoo noemt men de plaatvormige uitbreiding), vergroot; de oppervlakte is door
netvormig door het loof heenloopende luchtholten in facetjes verdeeld; in den om-
trek van elk facetje ligt gewoonlijk eene spleetopening; al deze spleetopeningen bij
de levermossen bezitten nog geene tiliiitcellen (z. b. bl. 93).
(*) Mefzgéria genaamd.