Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
18-2
(lig. Het ontstaan der lederkurk staat derhalve niet in oorza-
kelijk verband met het afvallen der bladeren. Zulk een laagje
(scheidingslaag genoemd) ontstaat overal, waar met sap
gevulde deelen (niet slechts blad-, maar ook as-organen) zul-
len afvallen en in het uiteenwijken zijner cellen en de daarop
volgende werktuigelijke verscheuring der vaatbundels berust
de scheiding van vroeger vereenigde deelen. —
De zoogenaamde bladeren der cycadeën, welke in hun uit-
wendig voorkomen veel op zamengestelde bladeren gelijken,
verdienen welligt eerder als asvormingen beschouwd te wor-
den, terwijl die der loranthaceën (waartoe o. a. ons vogellijm
behoort, z. b. bl. 108 en 124) onder de bladstelen, die door
verbreeding het aanzien van bladschijven verkregen hebben
(z. b. bl. 169), moeten gerangschikt worden.
Bij de varens komen, even als bij cycadeën, deelen voor,
welke men op het eerste gezigt voor bladeren houdt; ook
deze worden als asvormingen beschouwd (z. b. bl. 131), o. a.
wegens den groei aan hunnen top. In jeugdigen toestand zijn
deze bladvormige deelen in beide groepen even als een ho-
rologieveer gekruld. Er komen echter aan deze bladachtige
takken blaadjes voor, doch niet zoo in 't oog loopend, als die,
welke wij tot dusverre bespraken; het zijn namelijk haarvor-
mige aanhangsels, welke op hoogere deelen der plant meer
schubvormig worden en, hoewel altijd regelmatig, toch zeer
digt bijeen staan, zoodat zij elkander bedekken en einde-
lijk den stam en den voet der bladvormige takken (in jeug-
digen staat geheel) omhullen. Zij zijn meestal bruin gekleurd
en zeer eenvoudig van gedaante; zij bestaan alleen uit pa-
renchymcellen, wier vloeibare inhoud
spoedig verdroogt; van daar hun droog,
vliesachtig voorkomen.
Schubvormige, min of meer vliezige
bladeren komen trouwens ook voor op
de onderaardsche stengeldeelen of wor-
telstokken van zeer vele planten en
vervangen zelfs bij enkele gewassen (*)
Een gcdetlte van den wortelhtok vhh het genadekruid {Grafwla oßrutaht^).
(*) B. v. bij de breinrnap {Orohtmchfi), IjiJ J^uthraéa, enz.