Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•181
leeren kennen, onderscheidt zich vooral door eenen bijzonde-
ren regelmaat, zoowel in de plaatsing der takken, als in die
der bladeren, welke laatsten wegens hunnen langen, smallen,
puntig uitloopenden vorm, »naalden" worden genoemd (*).
Terwijl men deze gewassen daarom »naaldboomen" noemt,
zijn de overige boomen bekend onder den naam van »breed-
bladige" of »loofboomen". De meeste (f) naaldboomen blij-
ven (even als de hulst, de maagdepalm en nog enkele andere
planten) steeds, door alle jaargetijden heen, met bladeren
prijken. De eens gevormde bladen kunnen namelijk langen
tijd in leven blijven (2, 6, 8, zelfs 12 jaren) en vallen niet
af, vóór dat weder een aantal nieuwe uitgesproten zijn. Dit-
zelfde verschijnsel vertoonen ook nagenoeg alle heesters en
boomen in de heete luchtstreken. De loofboomen worden bij
ons jaarlijks in den herfsttijd ontbladerd, terwijl de bladen
van die gewassen, waarbij zij niet door geleding met de as
zijn vereenigd, daarop nog in dooden staat overblijven en
gaandeweg verrotten. Bij de éónjarige planten eindelijk ver-
droogen en sterven de onderste bladen het eerst en zoo
vervolgens de hoogere. Terwijl bij sommige gewassen de
bladen nog geheel groen afvallen, ondergaan zij overigens
meestal vóór dien tijd eene kleursverandering (z. b. bl. 46).
Ter plaatse, waar de bladen zijn afgevallen, vindt men het
likteeken meestal met een laagje lederkurk bedekt; sommigen
meenden in die kurkvorming de oorzaak van de verdrooging
en den val der bladeren te moeten zoeken; anderen be-
schouwden haar veeleer als een gevolg daarvan. Een naauw-
keurig onderzoek (§) heeft echter ten laatste geleerd, dat zich
kort vóór het afvallen van een blad in het onderste uiteinde
van den bladsteel eene dunne, uit jonge celletjes bestaande
laag ont\vikkelt, en dat de loslating van het blad een gevolg
is van het uiteenwijken dier celletjes, zonder verscheuring
harer celwanden. Wanneer het blad afgevallen is, blijft dit
laagje op het likteeken over en verdroogt het aldaar spoe-
(*) Er zijn ooit enkele coniferen bekend (Podocarpus, Araiicdria, Sulishüria, enz.),
inct meer uitgebreide bladen, welke den naam van „naalden" niet meer verdienen.
Door de naalden loopt alleen door het midden een oiivertakte vaatbuudel.
(t) Van den lorkenboom b. v. vallen in den herfst al de naalden af.
(j) Door hu<30-V0n mohl, hoogleeraar te Tübingen,