Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•174
a.
Uitbreiding van bet bladparenchym.
soms de bladschijven in de ge-
daante van kruikvormige uitbrei-
dingen, welke ook wel voorkomen
aan het uiteinde der bladschijven;
nadat de laatsten namelijk reeds
vrij ver ontwikkeld zijn, ontstaan
zij uit den hierdoorheen uitloo-
penden bladsteel, welke van bin-
nen hol wordt. Door snellen groei
der wanden wordt deze holte
steeds langer en wijder, terwijl de verlengde middelnerf
of bladsteel ook nog voortgroeit en dikwijls rankvormige
windingen beschrijft. Wanneer de holte eindelijk geheel kruik-
vormig geworden is, dan dringt door de haar inwendig be-
kleedende opperhuid vaak een waterig vocht, hetwelk zich nu
in de kruik kan ophoopen, welke soms nog van boven, door
eigenaardig gerangschikte en loslatende celreijen, als met een
deksel voorzien is. — Ook vindt men in een enkel geval den
bladsteel in den vorm eener bladschijf verbreed en
daarmede de eigenlijke bladschijf door geleding ver-
bonden, doch de laatste in de gedaante van twee
kleppen, waarvan de randen met stekeltjes bezet zijn,
terwijl in 't midden van iedere klep, d. i. van de
helft der bladschijf, gewoonlijk drie scherpe borstel-
tjes staan; worden deze door eenig voorwerp aange-
raakt (zoo O. a. door insekten), dan sluiten zich de
- kleppen vrij spoedig: doch na korteren of längeren
' ,. , tijd openen zij zich weder.
^ j Onbeslist is het nog, of de blaasjes, welke bij ze-
see, enz. waterplant (»Blaaskruid" genaamd) in de oksels
harer fijne bladslippen voorkomen, als takjes, dan wel als bla-
deren van een geheel eigenaardigen vonn beschouwd moeten
214. a. Uiteinde van het blad der bekerplant {Nepénihes desUUatória)-, h. van het
kruikblad {Sarracénia)-, hier is de bladschijf en niet, zoo als bij Nepenthes, de blad-
steel, kruikvormig verwijd; men vindt iets dergelijks, doch in eene andere gedaante,
bij Cephalótus, Dischldia, enz. Daar de:ee planten uit geheel andere luchtstreken dan
de onze, uit Azië, Amerika of Australië afstammen, kan men ze bij ons alleen in
wel voorziene broeikasten vinden.
215. Blad van het vliegenvangertje {Dionaéu muscipula); men ziet hier slechts ééu
der bladhelften of kleppen van de buitenzijde. Dit plantje is afkomstig uit Zuid-
Karolina en wordt ook hier en daar in onze broeikasten gekweekt.