Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•171
enkelvoudige bladeren de tusschen de vaatbundels bestaande
ruimte met parenchym, enz, is aangevuld, en de bladranden
daarbij al of niet verdeeld kunnen zijn, is bij de zamenge-
stelde bladeren de regtstreeksche zamenhang tusschen de eer-
ste vertakkingen der vaatbundels opgeheven en kunnen dezen
soms voor een gedeelte als steeltjes der blaadjes (d. i. der op zich
zelf staande gedeelten der bladschijf) optreden, die, zoo als
reeds boven (bl. 165) gezegd is, met den algemeenen steel (bij
de gevingerde) of hoofdvaatbnndel (bij de gevinde bladeren)
door geleding vereenigd zijn. Daar, waar ieder gedeelte van
de bladschijf (d. i. ieder blaadje) weder op nieuw op de wijze
van een zamengesteld blad is ingedeeld, gaat daarmede eene
gelijksoortige splitsing en uiteenwijking der vaatbundels ge-
paard (*), Terwijl nu zoo de vaatbundels of aders als 't ware
het geraamte der bladeren vormen (hetwelk dan ook bij
veiTOtting der bladeren, dikwijls in zeer sierlijke gedaan-
ten, overblijft), bestaat het overige, zoo als bereids gezegd
is, uit parenchym, enz, — De vaatbundels bestaan uit teelt-
weefsel, ring- en spiraalvaten, alsmede uit hout- en bastcel-
len ; onder de laatsten komen soms ook melksapvoerende
voor (t). Er is geene groene kleurstof in voorhanden en
daarom ziet men ook in de bladschijf gewoonlijk de aders
tusschen het groene parenchym lichter wit- of geelachtig
doorschijnen.
Bij naauwkeurig onderzoek blijkt het, dat dit parenchym
niet als eene gelijkmatige massa in de geheele bladschijf voor-
komt. Eerstens namelijk is het met eene opperhuid (z. b. bl. 90)
(*) Vergel. fig. 202. — Om n nog eens naar vroeger gegevene voorbeelden (fig.
198—199) te verwijzen, zoo zal het u nu niet moeijelijk vallen, op te merken, dat het
lindenblad te gelijk eenigzins hand- en overigens vinnervig is; (zulke bladeren noemt
men ook gemengdnervig;) dat het eikenblad vinnervig is; dat het rozenblad even-
zeer vinnervig is, zoowel in den aanleg van de geheele schijf verdeeling, als in de af-
zonderlijke blaadjes en eindelijk dat het wilde kastanjeblad in den aanleg van de
hoofdverdeeling der bladschyf handnervig, doch in de bijzondere blaadjes vinner-
vig is.
(+) Dit laatste is b. v. het geval bij onze stinkende gouwe {Chelidóniuin mdjus);
wanneer men hare bladeren kwetst, dringen uit de wondrandjes der aders oranjekleu-
rige droppels, welke namelijk uit de vertakte, melksap bevattende bastcellen te voor-
schijn komen. In den stengel dier plant vertakken zich deze cellen nog niet. Vroeger
verkeerde men in de meening, dat zulke gekleurde sappen zich gestadig door de
plant rondbewogen; men weet thans, dat zij daarin stilstaan, doch bij scheuring der
cellen er uitvloeijen, om dezelfde reden als ieder vocht, waarmede eenig vaatwerk
geheel gevuld i», daaruit ontsnapt, wanneer dit vaatwerk verbroken wordt.