Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•167
ren der eenzaadlobbigen meestal gaaf van rand en daardoor
eenvoudiger en gelijkvormiger in voorkomen zijn. Zoo zijn er
ook bij in het water levende planten verschillen in den vorm
der bladeren zigtbaar, daar de onder het water blijvende
meerendeels zeer smalle en fijne indeelingen vertoonen en de
hoogere of drijvende veel eenvoudiger, zelfs geheel gaaf kun-
nen zijn. Een zeer merkwaardigen bouw bezitten de onder
het water gedokene bladen eener plant, die de warme moe-
rassen van Madagaskar bewoont. Zij bestaan name-
lijk in volwassen toestand alleen uit een fijn net-
of roosterwerk van vaatbundels, dat bij de ligtste
bewegingen van het water medegolft. — Met hetgeen
wij de vaatbundels der bladeren noemen, hebt gij
bereids kennis gemaakt, wanneer gij slechts gelet
hebt op wat men in het gewone leven de aders
der bladeren noemt. Zoowel dit woord, als het
ook daarvoor gebruikelijke nerven (hetgeen eigenlijk »ze-
nuwen" beteekent), mag u niet tot het denkbeeld leiden,
om eenige gelijkheid daarvan met de aders of zenuwen
van het dierlijke ligchaam te veronderstellen. Beiderlei vorm-
sels loopen zoo geheel uiteen, zoowel in bouw als in
bestemming, dat zij niet van verre eenige vergelijking toe -
laten. Bij zeer dikke vleezige bladeren (b. v. bij die der
vetplanten) vallen zij minder in het oog, omdat zij daarin
door vele parenchymlagen als 't ware verborgen liggen.
Bij de meeste overige bladeren zijn zij vrij duidelijk waar-
neembaar; in een zeer jeugdig blad echter, hetwelk nog in
het eerste tijdperk zijner ontwikkeling verkeert, zoudt gij, er
naar zoekende, ze niet kunnen vinden, omdat alsdan het blad-
weefsel nog slechts alleen uit parenchym bestaat. Langzamer-
hand vormen er zich enkele strengen teeltweefsel in, die
weldra in vaatbundels veranderen, welke als de regtstreeksche
voortzettingen van die der stengels, waarop zich het blad
kleine lobjes als blaadjes beschouwt, dan stelt ieder afzonderlijk figuur slechts één
blad voor (in 202 gevind, in 203 gevingerd). In 203 c zuU gij b, v. de type van het
kastanjeblad terugvinden, enz. De verschillen, welke hier van het cijfer der blaadjes,
de al- of niet herhaalde verdeeling der zijdelingsche of eindlobben, enz. afhangen,
worden bij de wetenschappelijke beschrijving van bladen allen door daarvoor alge-
meen aangenomene woorden aangewezen. Het was linnabüs, die deugrondslagh-gde
voor zulk een bij alle plantkundigen bekend en geldig benamingsstelsel.
204. Blad van Ouvirdndra (of Hydrogélon) fenesirdlis, roosterplant.