Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
•162
jen, het dus aldaar het oudst is en zijne meerdere vergroo-
ting van de verdere uitbreiding in zijn onderste gedeelte
of in andere plekken zijner vlakte afhankelijk was. De bla-
deren schuiven zich als 't ware, aanvankelijk als kleine
kegelvormige celgroepjes, onder de spits van assen bui-
tenwaarts uit; de celvermeerdering geschiedt voornamelijk
ter plaatse, waar zij met de assen zamenhangen en, na nu
zekeren omvang te hebben bereikt, vergrooten zij zich niet
verder. Dat alles is nu niet alleen toepasselijk op de gewone
bladeren, zoo als ieder die kent, maar nog bovendien op een
aantal andere plantendeelen, welke gij als geheel dkarvan
verschillende pleegt te beschouwen; zoo b. v. op zeer vele,
soms op alle deelen, waaruit de bloomen bestaan; zoo ook
op een aantal andere vormsels, welke gij, alleen op hun uit-
wendig voorkomen afgaande, niet van verre voor bladeren
zoudt hebben aangezien. Men is daarom gewoon, verschillende
hoofd- en onderverdeelingen van bladsoorten te onderscheiden,
van wier opsomming wij ons hier onthouden, omdat er wel
gelegenheid zal bestaan, om ze achtereenvolgens ter sprake
te brengen.
Over de zaadlobben, zijnde de eerste bladeren der zaad-
planten, die nog tot de kiem behooren, is reeds vroeger (bl.
110 en volg.) het een en ander gezegd. Bij de kieming
der zaden blijven de dikkere zaadlobben meestal onder den
grond, terwijl gewoonlijk de dunnere zich daarboven verhef-
fen, welke laatsten dan ook alleen met bladgroen gevuld wor-
den. Hunne gedaante verschilt meestal van die der hooger
staande bladeren; over 't algemeen is zij, even als hun overige
bouw, vrij eenvoudig en is ook hun bestaan niet zeer duur-
zaam, daar zij gewoonlijk bij verderen groei van de plant,
waartoe zij behooren, afvallen.
De bladeren, welke nu verder na de zaadlobben verschijnen
en welke men in het gewone leven eenvoudig »bladeren"
pleegt te noemen, dragen in de wetenschap meer bepaald den
naam van »loof-" of »stengelbladeren". Diegene, welke
het digtst nabij den wortel staan, zult gij niet zelden grooter
of wel in eenen anderen vorm aantreffen dan de hoogere,
terwijl gij ook, hoe meer gij bovenwaarts in de nabijheid der
bloemen de bladeren gadeslaat, die aldaar vaak eene vereenvou-