Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
158
bast lange, slechts weinig verdikte en niet verhoute cellen
bevatten, die zich onderscheiden door eene eigenaardige, op
de openingen eener zeeft gelijkende rangschikking der stip-
pelkanalen op bepaalde plaatsen (*). Ook komt er nog »bast-
parenchym" in voor, ontstaan door de vorming van eene rei
dochtercellen in zeer jeugdige bastcellen, en voorzien van
eenen inhoud, die vaak van dien der overige schorscellen ver-
schilt. Eindelijk vormen, gelijk meermalen opgemerkt is, de
mergstraalcèllen een gedeelte van den bast. Telken jare kan
nu al wat tot de later gevormde schors behoort, d. i. in de
hoofdzaak de bast, in dikte toenemen, doordien er uit het
teeltwcefsel der vaatbundels aan de bestaande weefsel-elcmen-
ten laagsgewijs nieuwe worden toegevoegd. — De bast is dik-
werf de zitplaats van kleurstoffen en van zelfstandigheden,
die als geneesmiddelen of vergiften bekend zijn. Dat, wat ech-
ter in den handel met den naam van »bast" bestempeld wordt,
kan zijn de bast met of zonder andere schors- of zelfs houtlagen,
enz. Eene grens tusschen de oorspronkelijke schors en de later
gevormde is niet altijd duidelijk waarneembaar. Beiden sluiten
194. Gewone schorsvorining.
135. Kurkwoskerinq.
(*) Men heeft ze daarom ook zee ft buizen ofroostercellen genoemd. Tnsschen
deze stippelkanalen blyven geene stippelholten over; ook meent men die stippels
(„zeeftstippels") als ware openingen te hebben erkend.
194. Dwarse doorsnede van een zesjarigen eikentak (Querctis pedunciilata). In dezen
jeugdigen bast is nog eene aanwijzing van jaarlijksche afzetting zigtbaar; in de
eerste 10 tot 30 jaren vormt zich hierbij lederkurk, doch na dien tyd ontstaat korst-
vorming en begint de uitwendige oppervlakte af te brokkelen.
195. Dwarse doorsnede van een vierjarigen tak van den kurkeik (Quercus Suber)-,
a, merg; b. vier jaarringen van het hout; c. de bast; d. vier dikke kurklagen in de
buitenste schors. — Met tusschenpoozen van eenige jaren worden telkens de kurkla-
gen daarvan, voor »llerlei bekende bedoelingen, afgeschild.