Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
157
parenchym, met een glinsterend wit voorkomen (*)), jMen vindt
er soms ook dikwandige, verhoute cellen in, hier en daar ook
liarsgangen, enz. Het dunwandige parenchym bevat gewoonlijk
bladgroen, ook zetmeel, kristallen, enz. De celmassa, waarin
het bladgroen voorkomt, onderscheidt men vooi'al, wanneer zij
in duidelijke lagen verdeeld is, gewoonlijk met den naam van
groene laag. ]\Iergstralen loopen er nimmer doorheen.
Deze laatsten strekken zich echter wel uit tot in de latergevorm-
de schors. Deze ontstaat uit dat gedeelte van de vaatbundels,
hetwelk zich aan de buitenzijde van den verdikkingsring be-
vindt. Ilier is dan ook de plaats, waar de eigenlijke bast
(z. b. bl. 89) gelogen is. De bast is zeer verschillend in bouw.
Zoo zijn er b. v. enkele planten
(zoo als beuken, platanen, enz.),
waarbij slechts in het eerste levens-
jaar volkomen ontwikkelde bastve-
zels (z, b. bl. 76) ontstaan; bij alle
andere echter vindt men deze meestal
in groepen (bastbundels) telken jare
op nieuw gevormd. Voorts kan de
b
193. Schors en Bast
(*) Men heeft daaraan den naam van collenchym gegeven.
1»3. a. Dwarse doorsnede van een lindentak (Tilia). Op de buitenste, aan de op-
perhuid grenzende schorslaag («) volgt de groene laag (g), welke de ruimten aanvult,
die er tusschen de bastgedeelten der vaatbundels (6) overblijven. Daar waar deze
laatsten geheel aaneensluiten, d.i.digt bij den aanvang van het jongst gevormde hout
(A), (alwaar men zich ook de zitplaats van den verdikkingsring moet voorstellen,) be-
vindt zich alleen, in den strengsten zin des woords, de bast. De mergstralen {in m)
uit het hout zetten zich in het bastgedeelte der vaatbundels voort. — b. Overlang-
Bclie doorsnede van den vorigen. Hieruit blijkt nog duidelijker, op welke wijze de
groene laag de mazen aanvult, welke door de zich vertakkende bastbundels worden
opengelaten.