Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
III
strookcn parenchym van elkander geseheiden zijn. Ook hier
is alsdan — even als bij eenzaadlobbigen — geene strenge
splitsing in merg- en schorsparenchym -waarneembaar. Yan
lieverlede geraken de vaatbundels echter meer nabij elkander,
daar zij (als tot de ongeslotene — z. b. bl. 84 — behoorende) zich
uitbreiden en zich zoo o. a. zijdelings onderling naderen. Het
binnenste parenchym, hetwelk inmiddels duidelijker als »merg"
wordt begrensd, gaat echter niet zelden weder verloren door
uitdrooging, verscheuring, enz., zoodat men ten laatste de
stengels inwendig hol vindt, behalve op de plaatsen, waar
zich knoopen bevinden, alwaar namelijk de mazen, opengela-
ten door de vaatbundeltakken, welke zich aldaar overkruisen,
door parenchym zijn aangevuld. De schors van eenjarige
stengels — in den regel nog met eene gave opperhuid be-
kleed — vertoont veel verscheidenheid in haren bouw. AVan-
neer gij de opperhuid van zulk een takje afpelt, zult gij ge-
woonlijk eene door bladgroen gekleurde cellenlaag aantreffen,
die echter nog — wanneer zij
althans niet tegelijk met de
opperhuid is afgetrokken, —
door eene andere ongekleurde
cellenlaag omringd is. Door
de middelste of groene laag
loopen soms reeds uitsprin-
gende gedeelten van de bin-
nenste of basüaag, waar deze
namelijk aanwezig is en welke
dan uit bastcellen is zamenge-
steld ; deze laag ontbreekt
echter dikwerf. De bastcellen ..r n , , • i- . i
, , , ,, p , löo. Dwarse aoorsoeie van eeoeo jeußta steDQßl.
grenzen aan het teeltweefsel ^ ^ ^ ^
van de vaatbundels, waartoe zij behooren, hetwelk bij de twee-
185. Men stelle zich het in fig. 04 afgebeelde stengeltje vergroot voor; dan vindt
men in hut midden het merg (b), zich als groote mergstralen tusschen de vaatbun-
dels verlengende en zamensmeltende met het schorsparenchym, waaromheen zich de
opperhuid (d) bevindt. Hot binnenste (donker voorgestelde) gedeelte van eiken vaat-
bundel zal later bij onderlinge vereeniging der vaatbundels het oudere hout vormen;
het daarop volgende (lichtere) gedeelte (g) het jongere hout of „splint"; daarop
volgt het teeltweefsel, zamenvallende met den verdikkingsring, en eindelijk het
meest buitenwaarts dat gedeelte, hetwelk later de binnenste schorslaag of den bast {h
zal vormen. In de vaatbundels zelven ontstaan de kleine mergstralen (a).