Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
naar liet midden van den stam gelegen waren; bij dwarse
doorsnijding verkrijgt men ook znlk eenen indruk; i^^anneer
men echter den loop der vaatbundels van onderen naar boven
vervolgt, dan blijkt het, dat zich de jongste aan die beide
uiteinden juist het meest buitenwaarts bevinden, doch verder
door .eene kromming binnenwaarts gebogen zijn, zoodat zij
de vroeger gevormde overkruisen. De verschillende vaatbun-
dels verbinden zich vaak onderling door vertakkingen. Daar
waar luchtwortels (z. b. bl. 121) gevormd worden, ontvangen
deze hunne vaatbundels van de meest buitenwaarts gelegene
dier vertakkingen.
Het schorsgedeelte is niet bij allen op dezelfde Avijze zamen-
gesteld. Hier en daar vindt men er bundels bastcellen in, ge-
woonlijk echter alleen parenchym, met bladgroen gevuld daar,
waar het aan de opperhuid grenst; nu en dan vertoont de
schors ook eene sterke kurkvorming, doch een eigenlijke
bast — zoo als bij tweezaadlobbigen — met afzetting van
jaarringen,komthier
nimmer voor. De
opperhuid eindelijk
blijft dikwijls vrij
lang geheel gaaf
en is niet zelden
zeer rijk aan kie-
zelaarde.
In jeugdige of
kruidachtig blijven-
de stengels of takken
van tweedzaadlobbi-
ge planten vindt men
in den regel de vaat-
bundels in een of
meer kringen staan,
welke door breede
. EenjarigB tak.
184. a. Overlangsche doorsnede van een eenjarigen tak van een'beukenboom (Fa^os
sylTdiica\ in natuurlijke grootte, b. Eenigzins vergroot (fn= merg; r&= vaatbundels;
» = schorsgedeelte), c. Een gedeelte sterker vergroot {m = merg; c = vaten; tus-
schen de vaten liggen houtvezels en houtparenchym; < = verdikkingsring; è de plaats,
waar later de bast gevormd wordt, nu slechts lossere bastcellen bevattende; i =
»ehorsparenchym; o = opperhuid.)