Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
125
Stengeldeelen zijn, welke met onder den grond gelegene deelen
van andere gewassen in aanraking komen (*),
Men vindt soms in dennenbosschen groote knol- of kop-
vormige uitwassen boven den grond uitsteken, die daardoor
zijn ontstaan, dat de wortels van afgehakte stammen verbon-
den zijn met die van naburige levende dennen en hierdoor
nog voedsel erlangen, om zulk eene omkorsting te vormen.
liet zal u welligt zijn voorgekomen, dat gij gedeelten van
omgehouwene en afgekapte boomstammen hebt ontmoet, waar-
uit soms, nadat zij lang geheel onaangeroerd in de opene
lucht bleven liggen, enkele bladeren of zelfs takken sproten.
De oorzaak daarvan moet in de ontwikkeling van knoppen
gezocht worden, welke daar ter plaatse ongedeerd bewaard
zijn gebleven en de voor hunnen groei noodige stolFen aan
<le oppervlakte van den stam ontleenden, die namelijk ^
door dit langdurig verblijf in de opene lucht, zulk eene
verandering (humificatie (f)) on-
derging, dat zij geheel de rol van
eenen natuurlijken bodem vervangen
kon. Zoo wordt het ook duidelijk,
hoe men soms boven op oude, van
onderen uitgeholde of verrotte stam-
men (b. V. van wilgen, enz.) frisch
tierende scheuten ontmoeten kan.
Ja zelfs heeft men soms in dit on-
derste gedeelte een geheel netwerk
van bijwortels aangetroffen, die zich
in de rottende massa genesteld had-
den of wel voor een gedeelte lager
uitstrekten en tot in den grond
151. Wortels bioneQ in eeoen stam.
doordrongen.
(*) Men rekent intusschen deze allen onder de wortel-parasieten. Onder onze in-
landsche gewassen kent men als zoodanig Lathraéa en Oro6öncAe-(bremraap-)soorten.
(Van Monotrópa is het parasietisch karakter niet geheel zeker.)
(t) Humus (teeltaarde) is een mengsel van in ontbinding verkeerende stoffen,
afkomstig van gestorvene plantaardige en dierlijke zelfstandigheden. Zoo vormen b. v.
do telken jare in bosschen afvallende bladeren, enz. spoedig dikke lagen humus, welke
eene voor den groei van nieuwe planten zeer geschikte grondsoort vormt.
151. Het onderste gedeelte van eenen verrotten tammen kastanjeboom {Casfd
nea Téscd). [De wilde of pa ardenkastanje heet Aésculas Htiifiordatanim-, bei-
derlfi planton behooren tol verschillende groepen.]