Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
131 Tweezaadlobbig zaai
zonder kiemwil
(lezer lobben somwijlen duidelijker te voorschijn; er zijn in-
tusschen nog andere redenen, waarom men deze — onaf-
hankelijk van den vorm, waaronder zij zich voordoen, — voor
bladeren houden moet.
Om zich eene heldere
voorstelling te vormen van
hetgeen er raet de zaad-
planten omgaat, tot dat zij
zich op die wijze aan ons
vertoonen kunnen, als wij
haar dagelijks, in min of
meer volwassen staat, aanschouwen, is het
bijzonder aan te bevelen, dat men zelf eenige
zaden in een met aarde gevuld vaatwerk
plaatst (welke aarde men nu en dan be-
vochtigt,) en dit op eene niet te koele plek
bewaart. Van tijd tot tijd neme men achter-
eenvolgens enkele zaadjes, met voorzorg van
de overige niet te ontblooten, nit de aarde, —
en wanneer men nu hetgeen er bij het kie-
men plaats heeft naauwkeurig opmerkt, dan
heeft men zich daardoor eenigzins den weg
gebaand, om ook van het later voorvallende
eenig begrip te verkrijgen.
Om intusschen aan eene plant te zien, of
zij tot de een- of tot de tweczaadlobbigen
behoort, behoeft gij niet altijd te wachten
tot dat gij in de gelegenheid zijt, eene daar-
van afkomstige kiem te bezigtigen. De plan-
135. Ontkisming esner
tweezaadlobbige kiem.
134. Een overlangs doorgesneden paardenboon (zaad van Vida Faha) vertoont binnen
zijn vliezig omhulsel (a) geen kiemwit, daar, hetgeen dit schijnt te zijn, de dikke zaadlob
(d) zelf is. Bij c vindt men het knopje en ter hoogte van 6 het worteltje. — Wanneer
wij van de tuinboonen, witte boonen, enz. waarmede wij ons voeden, de doorschij-
nende schilletjes aftrekken, dan houden wij in die groene of gele massa niets anders
dan eene groote kiem over. Het valt dan gemakkelijk, de beide vleezige zaadlobben van
elkander te splitsen en daartusschcn den aanleg van het worteltje en stengeltje nan-
te treflen; lioe rijper de boonen zijn, des te duidelijker wordt dit zigtbaar.
135. De kiem van het vorige zaad, verder ontwikkeld. Na eenigen tijd in de aarde
te hebben gelegen, bersten de omhulsels van het zaad. Men vindt nu van onderen het
worteltje (c) met zijtakken (rf); iets hooger en ter zijde de zaadlobben (rt 6), in wier
onmiddellijke nabijheid kleine knopjes (t); daarboven de stengel (c) met het eerste
blad (/); daarop volgt een tweede blad (/) en eindelijk een meer ontwikkeld derde
en vierde (m h).
8