Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
III
(1er in vele andere gesplitst zijn. Dit aantal verschilt echter
naar gelang van de beginselen, waarvan de plantkundigen,
die zulke stelsels van indeeling ontwierpen, uitgingen. Zoo
vindt men door den éénen ongeveer 200 groepen, door
den anderen omstreeks 250 opgesomd, enz. Van dezen be-
hoort het grootste gedeelte tot de tweezaadlobbigen. De in
onze luchtstreek groeijende gewas-
sen zijn voornamelijk tweezaad-
eenzaadlobbigen
121. Eeozaadlobbig
zaad.
gedeelte
lobbigen; van de
zijn alleen de grassen (waartoe ook
de graansoorten (*) behooren) bij ons
de voornaamste vertefjenwoordigers.
O O
Wanneer men de kiemen der laat-
sten onderzoekt, dan blijkt het, dat
deze slechts een betrekkelijk klein
12S. Eenzaadlob-
bige kiem.
van het zaad innemen. Het overige is nagenoeg
geheel met eene melige massa aangevuld, welke
men kiem wit noemt. Het is met name deze
massa (bestaande uit cellen, gevuld met zet-
meel, proteïnestoffen, enz.), welke het uit
de granen afkomstige meel vormt, waarvan
O O '
wij ons als voedsel, enz. bedienen. In andere
zaden, zoo als men die o. a. onder de twee-
zaadlobbigen aantreft, is dit kiemwit niet al-
tijd zoo ruim voorhanden als in de vorigen,
doch kan het alsdan toch nog menigmaal de
zitplaats zijn van zelfstandigheden, zoo als
vette oliën, enz,, welke deze zaden onmisbaar
maken voor huishoudelijk en ander gebruik.
Zoo vindt men ook zaden, b. v. bij onze peul-
vruchten, waarin geen kiemwit voorhanden is, doch wier
129. Eeozaadlobbig
zaad.
(*) Dat zijn de tot voeding gekweekte grassen, zoo alst tarwe, haver, gerst, enz.
127. Overlangs doorgesneden tarwekorrel (d. i de vrucht van Triticum saiUurri);
a. omhullend vlies; b. kiemwit; e. kiem.
128. Door een tarwekorrel ongeveer 24 uren in water te laten weeken, kan men
er het omhullend vliesje aftrekken en er de kiem uit afzonderen, waaraan men
dan onderscheiden kan: a. den zaadlob; b. het stengelknopje; e. een schubje ter
plaatse, waar de aanleg van het worteltje (d) aanvangt.
129. Overlangs doorgesneden haverkorrel (vrucht van Aténa satica); na 24 uren
geweekt te zijn. Op het vliezige omhulsel fa) volgt ook hier binnenwaarts het kiem-
wit (&) en dan de kiem (waarvan d den zaadlob en c het stengelknopje voorstelt).