Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
nu uiteenloopende bijzonderheden in bouw, zamenstelling,
enz. en gewoonlijk vindt men ze dan ook in de leerboeken
over plantkunde ieder afzonderlijk beschreven ; wij zullen ze
echter tegelijk met de zaadplanten ter sprake brengen (*).
Ook van de laatsten is de jeugdige toestand niet altijd
overeenkomstig en springt bij verderen wasdom het ver-
schillend voorkomen, dat zij verkrijgen kunnen, terstond in
het oog, wanneer wij reeds eenen
vlugtigen blik op de ons dagelijks voor-
komende gewassen vestigen, welke
nagenoeg allen tot de zaadplanten
behooren. Vandaar dat men, om van
de hierin heerschende verscheiden-
heid een overzigt te kunnen erlan-
gen, ook dezen in een aantal groepen
heeft verdeeld. Eene eerste indeeling
berust daarop, dat er gewassen zijn,
waarbij de zaden onbedekt groeijen,
d. i. in geen omhulsel bevat zijn;
men noemt ze daarom naaktzadi-
gen. Daartoe behooren de coniferen,
cycadeën, loranthaceën en, naar men
meent, ook de gnetaceën. Deze vor-
men een op zich zelf staande groep,
en zijn ook door het weefsel, waar-
-- «ït de stammen beslaan en door an-
dere eigenaardigheden van de be-
^P®^' dektzadigen onderscheiden. Met
den laatsten naam omvat men al de overige plantengroe-
pen, omdat daarbij de zaden met een omhulsel bekleed
zijn.
Wij hebben hierboven (bl. 104) de kiem leeren kennen
als dat gedeelte van het zaad, hetwelk bestaat uit eene
van aUe overige gewassen, vaatplanten genaamd, Is reeds op bl. 80 in de noot
opgegeven.
(*) Wij worden liiertoe eerstens geleid door het daarvan gegevene voorbeeld door
schacht, en ten andere door de overweging, dat de te streng gescheidene be-
liandeling der spore- en zaadplanten tot meerdere veronachtzaming van de bestu-
dering der eersten — door leerlingen namelijk — heeft bijgedragen.
122. Pinus AbiPi^ behoort tot de coniferen; hiervan ia het dennenhout afkomstig.