Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
men (b, v. bij de paardestaartigen en varens) eerst die twee-
derlei deelen ontstaan, waarvan eene onderlinge zaraenwer-
king gevorderd wordt, opdat er eene nieuwe plant geboren
worde. Indien men dus deze deelen met de meeldraden en
. Speren van varens.
stampers van zaadplanten volstrekt gelijk wil stellen, dan
doet zich hier een bij de laatsten nergens waargenomen
verschijnsel op, dat namelijk uit bloemen, buiten verband
met de moederplant staande, waarvan zij afkomstig zijn, ter
zelfder plaatse nieuwe planten gevormd worden en haren
vollen wasdom bereiken kunnen. Wat daarvan ook zij, de
eenige overeenkomst tusschen sporen en zaden, welke niet
te betwijfelen valt, is daarin gelegen, dat beiden van de plan-
ten losraken en het ontstaan van jonge planten mogelijk maken.
Ofschoon nu de sporeplanten den oorsprong uit sporen
met elkander gemeen hebben, groeijen zij echter niet allen
op gelijke wijze verder, zoodat zij niet alleen reeds in ha-
ren jeugdigen toestand, maar vooral ook in haren volwasse-
nen staat een zeer merkbaar verschillend voorkomen ver-
krijgen. Dit gaf dan ook aanleiding tot het onderscheiden
van de volgende groepen: zwammen, korstmossen, wieren,
levermossen, loofmossen, varens, paardestaartigen, wortel- of
water-varens en wolfsklaauwigen. Daarvan komen de drie
eersten weder o. a. daarin met elkander overeen, dat de sporen
tot of na de losraking van de moederplant met hare moe-
dercellen omringd blijven, om welke reden zij bedekt-
sporigen heeten. Bij al de overige geraken de sporen door
het verdwijnen der moedercellen vrij ; daarom worden zij
naaktsporigen genoemd (*). Al deze groepen vertoonen
121. Ook hier is in 4 afbeeldingen bij e. de nitgroeijing der sporen tot eene
voorkiem voorgesteld. — Daar, waar later over de voortplanting der gewassen ge-
handeld wordt, komt al het hier vlugtig gesehetste nader ter sprake.
(•) Welke van deze groepen tot de celplanten behooren — in tegenoverstelling