Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOß
mikroskoop de verborgene wijze, waarop men vroeger meende
dat het bloeijen (d. i. bloemdragen) der sporeplanten ge-
schiedde, geheel ontsluijerd heeft. Moge er namelijk allezins
reden zijn, om de laatsten van de zaadplanten te onder-
scheiden, omdat zij niet zoodanig gevormde bloemen als
dezen voortbrengen, toch is het thans mogelijk, ook bij
sporeplanten tweederlei deelen te zien, welke met elkan-
der in gemeenschap treden. Zoo is men er in geslaagd, op
enkele uitzonderingen na, een verband aan te wijzen, dat
er gevormd wordt óf tusschen den inhoud van de eene
spore met dien eener andere, ófwel eene eenigzins soortgelijke
aanraking tusschen beiderlei gemelde deelen — antheri-
diën en archegoniën geheeten — als dit met meeldraden
en stampers het geval is en hetgeen ook ten gevolge heeft,
dat daardoor jonge plantjes ontstaan. Over 't algemeen zij
men echter voorzigtig, wegens de hier heer-
schende schijnbare overeenkomst,
niet te zeer tot eene gelijkheid te
besluiten, die trouwens hier en
daar nog zeer twijfelachtig is.
Zoo kan het immers gebeuren —
118. Sporen van wieren, gelijk reeds gezegd is — dat er
eerst uit de spore een voorkiem ontstaat; en hierop nu ziet
X


iI9. Sparen vaa
een kosticos.
120. Sporen van paardeslaarticso.
lis. Nevens de gewone sporen vindt men bü de wieren coic nog andere, wellce
soms reeds in de moedercel, doch meestal na hare vrijwordmg in eene levendige
beweging verkeeren. De meeste daarvan zim van fijne trillende haartjes aan haar
uiteinde »if rondom hare geheele oppervlakte voorzien.
119. De gedaante der korstmos-sporen is zeer afwisselend; de hier afgebeelde
noemt men : muurvormig.
120. Elke spore is hier van twee spiraaldraden omringd, van welke ieder aan zijne
beide ciuden spatelvormig verbreed is. a. Deze draden in rust verkeerende; ö. de
draden zich by de vrijwording uitstrekkende; c. eene nitgroeüende spore, waar-
uit van boven de voorkiem ontstaat en van onderen liet eerste wortelhaar dier
voorkiem.