Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
kiem nu eigenlijk eene plant is in haren meest jeugdigen staat.
Het is echter niet de eenige vorm, w^aaronder jeugdige
planten optreden, want daartoe behoef ik u b. v. slechts te
herinneren aan de bollen, welke evenzeer den aanleg tot
nieuwe planten in zich bevatten, en zoo zult gij later nog
met meer plantendeelen kennis maken, waaruit zich jonge
planten ontwikkelen kunnen, ofschoon bij die allen boven-
dien onder gunstige omstandigheden ook nog bloemen kun-
nen ontspruiten, waaruit later vruchten met tot verdere
•voortplanting geschikte zaden kunnen ontstaan. Al de ge-
wassen nu, waaraan zoodanige bloemen zigtbaar zijn, als de
hier vlugtig geschetste, zijn bekend onder den naam van
zigtbaar-bloeijende planten (of onder de aan het
Grieksch ontleende benaming van phanerogamen), in
tegenoverstelling van eene andere reeks van planten, waarbij
zulke bloemen nimmer te voorschijn treden, verborgen-
bloeijende (of kryptogamen) geheeten. De laatsten
brengen dan ook nimmer zaden voort, maar iets anders,
hetgeen men sporen (*) noemt, zijnde ééne enkele cel, scms
nog jongere cellen inhoudende, terwijl zaden uit een meer
bepaald weefsel gevormd zijn. De zaden bevatten nog bo-
vendien reeds de jonge plant (als kiem), terwijl dit in zoo-
danig omschrevenen vorm in de sporen niet het geval is;
deze groeijen namelijk óf regel-
regt tot jonge planten op, óf zij
breiden zich tot een zeker deel
— voorkiem geheeten,— uit,
waaruit later, terwijl het zelf
weder verloren gaat, de nieuwe
plant opschiet. Men heeft om die
reden de zigtbaar- en verborgen-
bloeijenden ook met de namen
van zaad- en sporeplanten IH. Sporen vao zwaiDineD.
onderscheiden, en wel omdat die eerste benamingen thans als
minder geldig te beschouwen zijn, wijl het gebruik Van het
(•) Van een Grieksch woord: zaaisel beteekenende; kiemkorrels en spo-
ren beteekent hetzelfde.
117. De sporen van zwammen komen in allerlei gedaanten voor; zoowel voor deze
groep der sporeplanten als voor de later volgende zijn slechts enkele vormen als
voorbeelden geteekend.